Week 12
De grote rododendron moet verplaatst worden. Daar is het nu de tijd voor, want dan is er een kans dat de struik weer goed aanslaat en op een andere plek verder leeft. "Een oude," moppert de tuinman. "Zeker vijfentwintig jaar." Met zijn scherpe spade snijdt hij de wortels door die zich overal in de grond hebben vastgezet. Aarde en struik lijken op die plek in elkaar op te zijn gegaan. Ik zie geen verschil tussen de structuur van de wortels en van het zand. Als een chirurg die een gezwel moet verwijderen prepareert de tuinman een klont wortels vrij. Met drie man rollen we daarna de rododendron naar zijn nieuwe plaats. "Elke dag goed water geven," zegt de tuinman. "Anders redt hij het niet. Leg de tuinslang er maar gewoon een kwartier per dag bij."
Trouw doe ik dagelijks wat hij gezegd heeft. Als er nachtvorst is geweest vergelijk ik ongerust de hangende blaadjes met die van de andere struiken. Zijn dit de eerste tekenen dat het mis gaat? Maar ik ben opgelucht als ik zie hoe in de loop van de dag de grote groene bladeren hun kracht terugkrijgen en opveren. Soms geef ik 's middags wat extra water, terwijl ik het toch ook al 's morgens heb gedaan. Ik betrap me erop de rododendron bemoedigend toe te spreken. "Kom op oude jongen. Je redt het wel."
Voor ik mijn rondje hard ga lopen kijk ik even bij de struik. Er is een tak bij de ingreep beschadigd. Ik weet niet of we die maar op moeten geven. Natuurlijk hoop ik op een wonder. Misschien komt er ook weer wat leven in, net als in de rest van de rododendron. Ik kijk aandachtig en probeer de tekenen van herstel te herkennen. Waardoor het komt weet ik niet, maar mijn oudste herinnering dringt zich aan me op en het liefst zou ik die aan de rododendron willen vertellen.
Ik ben drie jaar oud en mijn ouders wonen nog op kamers in de Rubenstraat tegenover de ijsbaan. Het is moeilijk je eigen herinneringen van die van je ouders te onderscheiden, want hoe vaak heb ik niet naar hun verhalen geluisterd? Mijn moeder vertelt bijvoorbeeld dat ze bang was dat de benedenburen last van ons zouden hebben en ik mocht geen lawaai maken. Daarom droeg ik nooit schoenen en liep altijd op sokken rond. Onaardig moeten die mensen van beneden niet zijn geweest, want volgens mijn moeder ging ik elke middag de trap af omdat de benedenburen voor mij de strip van Olie Bommel uit de avondkrant knipten. Mijn moeder vertelt ook dat ik altijd voorgelezen wilde worden uit Winnie de Pooh. Het zal allemaal wel zo zijn, maar zelf herinner ik me het niet. Dat het echt waar is weet ik omdat mijn broer toen mijn moeder naar een verzorgingsflat verhuisde uit ons oude huis wat boeken mee bracht, die ik misschien wilde hebben. Winnie de Pooh zat daarbij en voorin stond geschreven "Voor Ivan".
Mijn eerste echte authentieke herinnering heb ik vrijwel nooit aan iemand verteld. Een keer heb ik die met Marion gedeeld. Het is ook niets spectaculairs en er is niet iets aardigs van te maken waar je andere mensen mee lastig kunt vallen. Het is zomer. Ik zie het aanmoedigende lachende gezicht van mijn moeder. Ik zit op een driewieler en ga razendsnel van het afritje naar de ijsbaan naar beneden. In mijn herinnering is het heel steil, maar later heb ik gezien dat het weinig voorstelt. Toch was het genoeg om te zorgen dat ik me over mijn angst heen moest zetten. Trappen is overbodig en ik weet: dit is geluk. Later heb ik wel eens gedacht dat het ook mijn eerste orgasme geweest kan zijn, niet zo zeer in de seksuele zin van het woord, maar als de ervaring van volledige bevrediging. Het is iets dat je zo maar krijgt, dat los van je staat en waaraan je je over moet durven geven. Beneden gekomen val ik van de driewieler en mijn knie bloedt. Wat daarna gebeurt weet ik niet. Het is niet moeilijk om het te verzinnen. Tranen. Kusjes. Jodium.
Mijn boeken gaan altijd over vallende mannen. Ze zijn bang om zich over te geven. Hun gedachten en woorden schuiven altijd tussen hen en de wereld waar ze dolgraag deelgenoot van willen zijn. In plaats daarvan kijken ze echter alleen maar toe. In mijn romans geven die mannen zich uiteindelijk, door de omstandigheden gedwongen, toch over. Ja natuurlijk, hun knieën bloeden, maar ze hebben ook heel even niet hoeven trappen en waren gelukkig omdat ze één werden met de wereld om ze heen.
Plotseling hoor ik de ongeruste stem van Marion. Vanaf het balkon roept ze naar me: "Is er iets Ivan?"
Ik steek mijn duim op naar haar.
"Nee," roep ik terug. "Alles in orde. Ik kijk of de rododendron het goed doet."

Terug