Week 13
Er woedt een oorlog in me. Net als bij alle oorlogen is het niet goed te begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen. In het begin gaat het om kleine dingen, die je met goede wil misschien nog kunt herstellen, maar op een gegeven moment kan wat er gebeurd is niet meer worden teruggedraaid. Als gewoon de redelijkheid gewonnen had, dan had het nooit zo ver hoeven komen. Sommige processen zijn niet redelijk.
De verpleger was klein, kaal en had een bril. Hij droeg zijn uniform alsof hij op een modeshow mee liep. 'Dan zien we hier een heel bijzonder ontwerp van twee jonge designers uit Antwerpen. Kijk eens hoe die korte mouwen van het dunne hesje contrasteren met de grote witte klompen. Het geeft aan het geheel een komische noot.'
Hij schoof een stoel opzij, hetgeen geluid maakte. De mannen in de wachtkamer keken vol verwachting op.
"U kunt komen," zei hij tegen mij en liet ons de spreekkamer van de arts binnen. "Ga maar zitten."
Bijna was ik op de stoel van de uroloog gaan zitten omdat het scherm van de computer daar naartoe was gekeerd, maar de verpleegkundige wees naar de andere kant voordat ik mezelf beschaamd had kunnen maken.
De man bleef afwachtend staan en vroeg: "Hoe gaat het nu?"
Marion had me de vorige keer verteld dat de man een bewonderaar van mijn werk was en het leuk zou vinden met me te praten. Ze was al gaan zitten en probeerde me daar op subtiele wijze aan te herinneren. Daarom bleef ik staan. Een gesprek kun je niet voeren als er een zit en een staat. "Heel goed," zei ik.
Hij knikte of hij wel beter wist.
"Ik loop elke ochtend hard," voegde ik er aan toe. "Eigenlijk voel ik me beter dan ooit."
"Ja, ja," zei de verpleegkundige. "Dat zeggen ze allemaal. Ik werk hier nu vijfentwintig jaar. Honderden heb ik er gezien. Misschien wel duizenden. Je ziet hier sterke gezonde mannen binnen komen…"
Hij maakte zijn zin niet af om de dialoog een dramatische lading te geven. Ik glimlachte wat onhandig.
"En ze hebben meestal gezond geleefd," zei de verpleger. "Onbegrijpelijk. Kijk naar mij. Ik rook, ik drink en doe ook nog andere dingen waardoor ik allerlei risico's loop. Maar met mij is er niets aan de hand."
Ik wist niet goed of het de bedoeling was of ik daarop nog iets terug zei. Bovendien zou ik niet goed weten wat ik dan wel moest zeggen. Ik keek uit naar het moment dat de arts binnen zou komen, maar die was blijkbaar ergens anders druk. Dat moet de verpleger geweten hebben en dat had hem vast en zeker het idee ingegeven om even gezellig met mij een gezellig gesprek te voeren.
"Het is gek hè," zei hij. "U bent arts en nu moet u het allemaal in eens van de andere kant meemaken. Dan piep je wel even anders."
Ook daar had ik niets op terug.
De man gaf me nog wat adviezen, waar ik niet om had gevraagd. Hoe ik het met mijn moeder moest bespreken en vooral welke termen ik wel en welke ik niet moest gebruiken.
"Gewone mensen snappen dat allemaal niet," legde hij uit. "Dus geen moeilijke woorden."
Ik veerde bijna op toen ik de deur open hoorde gaan en was bang dat de man de opluchting op mijn gezicht zou kunnen lezen. De verpleegkundige verdween daarop snel en ik kon gaan zitten.
"Hoe gaat het nu?" informeerde de arts.
Ik had snel geleerd die ochtend. Van mij werd blijkbaar verondersteld dat ik me als een patiënt gedroeg.
"Zo, zo," antwoordde ik.
Later zei ik tegen Marion: "Ik geloof dat die verpleegkundige een avondcursus in stervensbegeleiding volgt of zoiets."

Terug