| Week 14 Er lag een konijn dood op de weg. Ik zag het toen ik 's morgens vroeg mijn rondje rende. Waarschijnlijk was het midden in de nacht verlamd in het licht van de koplampen van een te snelle auto blijven staan. Een doffe klap en het was voorbij. Ik ben geen konijnendeskundige en zou niet weten hoe je bij het aanzien van zo'n bloederige massa moet vast stellen of het een mannetje of een vrouwtje was. Het leek me in ieder geval een volgroeid exemplaar. Laten we aannemen dat het een mannetjeskonijn van een jaar of vierenvijftig was geweest, verrast bij het rennen van konijnenrondjes. Er was nog niemand langs gekomen om de hond uit te laten. Met die plastic zakjes waarmee ze tegenwoordig hondendrollen oprapen om ze thuis in de compostbak te gooien, zouden ze de resten van het konijn weg kunnen halen. Ik had er geen zin in, want ik had geen plastic zakjes bij me. Het was bovendien geen smakelijk gezicht en ik rende snel verder. Na vijftig meter, in de tuin van de makelaar, zag ik een konijn onbeweeglijk zitten. Wat zat het daar ongelooflijk stil. Juist had ik besloten dat het een tuinkonijn was - zoals er ook tuinkabouters zijn, een vormsel van gips dat beschilderd is -, toen ik zag dat het konijn het hoofd verdrietig liet zakken. Natuurlijk is de toevoeging 'verdrietig' de interpretatie van een man die een verhaal probeert te vertellen. Misschien begon het diertje alleen maar wat gras eten, maar op een of andere manier maakte het toch een gedesoriënteerde indruk op me. Ik kon me niet aan het idee ontrekken dat dit het vrouwtjeskonijn was, dat wanhopig naar haar partner zocht. Ineens wist ik ook heel zeker dat dit het vrouwtje was en dat daar op de klinkertjes met rode lijm vastgeplakt het mannetje moest zijn. Mannetjes hebben immers altijd veel zelfmedelijden, zodat ze niet op de plaats van het ongeval blijven, maar snel troost zoeken. Een paar maanden geleden had ik in de krant gelezen dat getrouwde mannen gemiddeld vijf jaar langer leven dan vrijgezellen. Dat is een troostrijke gedachte. Dus boven op het getal dat de dokter noemde, mag ik nog eens vijf jaar tellen. Marion doet er alles aan. Elke dag krijg ik een lepel levertraan, hoe zeer me dat ook tegen staat. Ik slik het met de zelfde liefde als het me gegeven wordt. Ze zet een schaaltje pompoenpitten voor me klaar, want ze heeft gehoord dat het erg goed voor me is. Dagelijks maakt ze een schaal vruchten met müsli, zo groot dat een gezin met twee kinderen er meer dan genoeg aan zou hebben voor een stevig ontbijt. En 's avonds worden mijn voeten gemasseerd. Ze voelen zachter aan dan ooit, zo zacht als de wolken waarop de engelen moeten zitten. 's Morgens als ik wakker word is mijn eerste gedachte: "Wat overkomt me toch?" En de rest van de dag ben ik bezig om te begrijpen wat het verhaal achter deze gebeurtenissen is. Er gebeurt toch niets zo maar bij toeval en er valt geen vogel van een tak zonder dat de grote schrijver het wil. Toeval en willekeur, daar houden wij mensen niet van. Er is altijd een reden. Een van de theorieën die ik ontwikkeld heb is dat me dit overkomt om Marion de gelegenheid te bieden me te verwennen. Voor dat konijn komt het allemaal te laat. Zijn konijnenpootjes hoeven niet meer gemasseerd te worden. Het vrouwtje in de tuin van de makelaar heeft de doffe klap gehoord en wist onmiddellijk wat er gebeurde. Konijnen weten zoiets precies. Terug |