Week 17
Elke maandagochtend komt Fred om me te masseren. Mijn nek kraakt te vaak, mijn lies zeurt elke ochtend na het hard lopen en mijn achillespezen gillen als ik 's morgens wakker word. Door Fred's massage wordt het meestal wat minder, draait de nek weer even gewoon, komt de lies op adem en koelen de pezen af.
Als ik wat te laat van achter mijn tekstverwerker te voorschijn kom, verontschuldig ik me tegenover Fred. "Sorry, dat je even moest wachten," zeg ik. "Maar ik moest even een zin af maken."
Mijn leven is een aaneenschakeling van zinnen die nog even af moeten. Vroeger al, als ik lekker aan het lezen was en mijn moeder me vroeg boodschappen te doen of te komen eten, wilde ik nog even de zin, liever de alinea, het liefst de bladzijde, maar als het kon het hele boek uitlezen. Tegenwoordig als ik denk dat ik het beste aan het maken ben wat ik ooit heb geschreven en ik gestoord word, gebeurt er het zelfde. Mag ik het heel even af maken? Even nog. Even nog.
"O het geeft niet hoor," antwoordt Fred, die drieënzeventig jaar oud is. "Ik heb intussen heerlijk op mijn hoofd gestaan."
Fred heeft de yoga zo'n beetje uitgevonden, maar ook allerlei andere dingen waar ik geen verstand van heb. Eigenlijk wil hij me er niet mee lastig vallen, maar toch probeert hij me af en toe te helpen.
"Het is heel goed om een paar keer per dag met je handen naar de kosmos te grijpen," zegt hij zonder duidelijke aanleiding. "Tenslotte ben je deel van de kosmos. Strek je armen, doe de cobra en reik naar die kosmos uit. Laat de energie via je armen naar binnen stromen."
Ik glimlach en knik, omdat ik het fijn vind dat hij aan me denkt en me goede adviezen wil geven. Als ik in zijn zin het woord kosmos mag vervangen door samenleving, kan ik me er zelfs iets bij voorstellen. Tenslotte leeft een mens nooit alleen. Ik maak deel uit van een netwerk van mensen die elkaar in leven proberen te houden, want samen is niet zo eenzaam. Daarom krijg ik nu ineens allerlei vriendelijke e-mails en brieven. Mensen die zeggen dat ze aan me denken of die een CD of een boek sturen. Soms ken ik ze nauwelijks. Genezers ver weg in Brabant worden me geadviseerd, want behalve dat ze wratten onzichtbaar en voorgoed doen verdwijnen, beschikken ze ook over andere mysterieuze gaven.
Wat mij overkomt is ineens niet alleen maar mijn eigen verhaal, maar het maakt ook deel uit van de geschiedenis van anderen. En wie wil er nu in zo'n verhaal als een botterik fungeren? Ik niet. De vraag is namelijk maar helemaal of ik ooit nog de kans zal krijgen het te corrigeren. Daarom ben ik voor zo ver dat mogelijk is zelfs vriendelijk tegen de mensen die me vertellen dat ik voortaan niet meer met tefalpannen moet koken en geen geraffineerde suiker moet gebruiken omdat alle onheil daaraan te wijten is. Zelfs de vriend uit Los Angelos die hier was vanwege een filmfestival en naar wie ik geïnteresseerd luisterde gedurende ons gezamenlijk diner, vergeef ik. Zolang hij over zijn films en acteurs praatte, zat ik op het puntje van mijn stoel, maar toen hij zich ineens naar me toe draaide en met diepe stem zei 'Ivan, and what are you doing in terms of healing?', kreeg ik het benauwd. De manier waarop hij dat laatste woord uitsprak - alsof het een religieus ritueel was dat ik moest ondergaan om in het reine te komen met de realiteit van het bestaan dat me een kunstje flikte - maakte me bijna misselijk. Hij kwam op mijn territorium en in mijn verhaal, waar ik zelf graag de baas wil zijn. Het was ongewenste intimiteit. Maar ja, hij bedoelde het goed en dus antwoordde ik maar dat ik allerlei belangrijke beslissingen had genomen.
Het mooiste dat ik kreeg is een platte steen. Mijn zoon heeft me namelijk zijn lievelingssteen gegeven, die hij vanaf zijn veertiende in zijn broekzak met zich mee droeg. De steen voelt warm aan en ik kan hem al niet meer missen. Onlangs in New York toen ik door een metaaldetector moest om in een museum te komen, moest ik de zakken leeg maken. Een veiligheidsfunctionaris keek nieuwsgierig naar me.
"My fortunestone," legde ik uit.
Dat uitreiken naar de samenleving waarvan je dan energie terug krijgt, die je vervolgens gebruikt om te overleven, vind ik daarom wel een leuk idee. Dat begint al 's morgens vroeg. Tijdens mijn hardlooprondje vind ik dat ik tenminste drie keer iemand moet groeten. Meestal zijn het mensen die ik helemaal niet ken, maar juist als ik ze niet ken is het geschenk van een groet des te groter. Als ik ze goedenmorgen wens worden hun gezichten in eens zacht en dat is als karma: het doet me op een of andere manier goed.
Gisteren rende ik en ik kwam de drie jongens tegen die rond die tijd naar school gaan. Twee van hen dragen altijd een zelfde jack. Ik denk dat ze broers zijn. De derde, een wat dikkere jongen, moet ergens op ze wachten zodat hij samen met ze mee kan fietsen. Hij rijdt een beetje half achter ze op een veel te klein fietsje, met zijn voorwiel tussen hun twee achterwielen. Meestal deel ik een vage glimlach met de jongens. Woorden zijn niet noodzakelijk. Gisteren sprak de dikke jongen ineens tegen me toen we elkaar passeerden.
"Mijnheer moet u een paaseitje?" vroeg hij en hij hield een in gekleurd zilverpapier gehuld chocolade-ei voor me op.
Ik had het zo uit zijn hand kunnen nemen en hem bedanken, maar in plaats daarvan zei ik: "Nee jong..." En toen waren we alweer zo ver bij elkaar vandaan dat hij het "...dankjewel hoor, heel lief van je" niet meer kon horen.
De hele dag voelde het alsof ik iets verkeerds had gedaan en ik zal tot na de paasvakantie moeten wachten om iets terug te zeggen.

Terug