| Week 2005 08 Vermoeiend zijn de mensen die me verwijten dat ik een optimist ben. Ze denken dat kanker het laatste woord is dat je nog leert in het leven, samen met chemo en euthanasie. Daarna zijn er geen nieuwe woorden meer. Volgens hen moet ik aanvaarden en me vooral niet verzetten. Een deel van hen schrijft me af als iemand die zo simplistisch is dat hij de beren achter de bomen niet ziet. De anderen nemen niet eens de moeite een rationalisering te vinden voor mijn positieve instelling en kijken bewust een andere kant op, meer geïnteresseerd in wat er allemaal mis kan gaan in het leven. O, er kan zoveel mis gaan. Ik weet er alles van. Juist toen ik naar het ziekenhuis wilde vertrekken moest ik naar de WC en omdat die artsen altijd maar met hun vinger bij mij naar binnen willen, moest ik me ook nog even grondig wassen. De stoplichten stonden op rood en ik maakte ook nog een stukje file mee. Een parkeerplaats was bij het ziekenhuis niet te vinden. Als er al een plekje was, reed daar net iemand in die veel later dan ik in de parkeergarage was binnengekomen. Zinloos leek het en het zou niet moeilijk geweest zijn om onherstelbaar droevig te worden. Ondanks alle tegenslagen bwas ik precies op tijd bij de balie van de urologische polikliniek. "Loopt de dokter achter?" informeer ik als ik mij meld. "Nee," zegt de dame. "Hij is goed op tijd." Toch moet ik om een of andere reden nog een kwartier wachten. Daarbij blijf ik staan, bewust de duistere stemming in de wachtkamer ontlopend. Als ik de spreekkamer eindelijk binnen mag, trek ik mijn jas uit en hang die over een stoel, waarna ik ga zitten, klaar voor het gesprek. "Het is een beetje vervelend," zegt mijn arts. "Maar ik heb de bloeduitslagen nog niet." Ik heb een hekel aan al dat geklaag over onze gezondheidszorg, dat tegenwoordig zo modieus is. Er gaat veel mis, maar dat gebeurt overal ter wereld. Het is iets anders. Nederlanders klagen gewoon graag, is het niet over het weer dan toch minstens over wat de televisie brengt of over de drukte op vakantiebestemmingen. Het is nooit goed. Tegelijkertijd vind ik het feit dat ze niet binnen zes dagen een bloeduitslag kunnen presenteren ook enigszins verwonderlijk, zelfs verontrustend. "Hoe lang doen ze daar dan in hemelsnaam over?" vraag ik verbaasd. "Ze doen het nog maar eens per week," legt hij uit. "" Ik heb net gebeld. Ze vertelden dat je op vrijdag bent geweest." Het klinkt een beetje of ik het helemaal aan mezelf te danken heb. Had ik maar niet op vrijdag moeten komen. We hebben niet zo bar veel te bespreken nu er geen PSA bekend is. We zitten maar een beetje tegenover elkaar. Mijn arts doet zijn best en probeert er nog wat van te maken. "Hoe gaat het nu?" informeert hij. "Prima," antwoord ik. Er valt een stilte. Om wat inhoud aan het gesprek te geven besluit ik wat details te geven. "Als ik nu 's avonds om één uur ga slapen, hoef ik pas om negen uur 's morgens naar het toilet." Waarschijnlijk kan het hem weinig schelen. In zijn vak gaat het om die PSA. To PSA or not to PSA. Die kennen betekent dat hij zo ongeveer weet wat te doen. Mijn opmerking brengt hem echter wel op een idee. "En de darmen?" "Blijft een probleem. De bestraling heeft ze flink te pakken gehad en het hardlopen is daardoor niet echt meer zoals vroeger." Omdat die drie dingen altijd gevraagd worden - plas, ontlasting en potentie - besluit ik tot een mooie toegift. "En dat andere gaat ook heel goed." Hij gaat er niet op in en lacht beleefd. Geconcentreerd bladert hij mijn status door. "Kun je me morgen bellen over de uitslag?" vraag ik hem. Hij schrijft mijn telefoonnummer op. "Ach weet je," zegt hij. "Als die PSA nu wat verhoogd mocht blijken te zijn, hoeven we niet onmiddellijk weer met die medicijnen beginnen." Het klinkt of hij me iets leuks naar huis wil meegeven om aan Marion te vertellen. "Helemaal mee eens," zeg ik, want ik voel me zonder die hormoon onderdrukkende medicijnen zoveel beter. "Dat zien we dan de volgende keer wel weer." "Wat zullen we doen?" vraagt hij. "Drie of vier maanden." "Maakt me niets uit." "Mij ook niet." We maken een afspraak voor half juni en ik ga naar huis. Het heeft me een euro aan parkeergeld en een uur tijd gekost. Als ik door de wachtkamer loop en de sombere mannen van mijn leeftijd zie, ben ik blij dat ik weer mag ontsnappen. In de auto bedenk ik me dat het goed is een optimist te zijn en daarom beschouw ik het niet als een verloren ochtend. Van de week las ik een onderzoek over voedsel dat helpt om depressieve gevoelens tegen te gaan. Het was onderzocht bij ratten en het bleek echt te helpen. Wat me vooral intrigeerde was hoe ze aan depressieve ratten komen om onderzoeken mee te doen. Die krijg je als je ze laat zwemmen in een klein badje en elke keer als ze de rand bereiken zit er een hoge wand waardoor ze er nooit uitkomen. Ze zwemmen maar weer een andere kant op, maar op den duur worden ze wanhopig. Ze geven het op, hebben geen zin meer, zien het niet meer zitten. Als je ze nu maar dat blij makende voedsel geeft dan gaat het weer goed. Ze proberen het weer en gaan door. Toch is hun situatie helemaal niet veranderd. Ze zwemmen nog steeds doelloos heen en weer. Terug |