Week 2005 09
Het nieuws kwam als een schok. Het idee dat de ergste problemen wel voorbij waren, had bij iedereen postgevat. Het zou toch allemaal niet opnieuw beginnen?
"Gaan jullie nu wel op vakantie?" werd ons gevraagd.
We hadden dat nu eenmaal zo gepland. De dag na mijn bezoek aan de uroloog zouden we, of hij nu goed of slecht nieuws bracht, vertrekken. De tickets waren bovendien niet meer te veranderen.
Ik belde het hotel op, maar daar verzekerde men me dat ik zeker moest komen en dat er niets aan de hand was. Wat moesten ze anders zeggen? Daarna belde ik de Nederlandse ambassade in Beiroet. Ik sprak met iemand van de afdeling veiligheid, die me vertelde dat het natuurlijk mijn eigen keuze was, maar het was weer redelijk rustig.
"Als u ergens een demonstratie ziet," zei de behulpzame man, "moet u er misschien niet bij gaan staan."
Dat was moeilijk, want in de hele stad leek wel een demonstratie gaande en iedereen in Libanon wilde over de bomaanslag op de voormalige president Hariri praten. Hij was het symbool geweest van het uit een uitzichtloos lijkende burgeroorlog herboren land. De moord viel op geen enkele manier te negeren. Op elk stukje muur dat vrij was hing een affiche met zijn foto. Op de televisie werd dagen lang alleen maar de lange stoet mensen getoond die langs de plaats van de moord, het huis van Hariri en op de plaats waar hij op het plein der Martelaren herdacht werd, stroomde. En die televisie stond overal aan, terwijl van de moskee de klaaglijke geluiden van een land in pijn klonken. Oude vrouwen barstten spontaan in huilen uit terwijl ze over de gebeurtenissen spraken. Sommige mensen vertelden over hun angst dat het weer uit de hand zou lopen terwijl anderen juist hoopvol leken. Dit zou een heel nieuw begin kunnen zijn.
Ik had nog nooit van Hariri gehoord, maar in korte tijd kende ik alle details over hem, zijn familie, zijn omvangrijke vermogen, de wijken die hij in Libanon herbouwd had, en zijn verzet tegen de Syrische bezetting. Ik kan zijn gezicht niet meer vergeten, want dagenlang heb ik het achter autoruiten, op elke billboard in de stad, op elke wand gezien.
Fadi, de taxichauffeur, was een van de velen die de bedevaartstocht maakte langs de plaatsen van verdriet. We kwamen hem op straat tegen en raakten met hem aan de praat. Hij had een tijd in Frankfurt gewerkt en sprak daardoor goed Duits. "Alles klar," was een opmerking die om de paar zinnen kwam. Hij wilde ons net als de andere Libanezen uitleggen wat Hariri voor man was geweest. "Misschien is zijn dood wel een nieuw begin voor ons."
Omdat ik, sinds ik, op twaalfjarige leeftijd, in een van de dikke boeken in het huis van mijn grootvader over reizen naar exotische oorden, een tekening van de ruïnes van Baalbek gezien had, verlangde ik ernaar die plaats te zien. Fadi kon ons daar wel naartoe brengen en we waren het snel eens over een prijs.
Baalbek ligt diep in de Beka vallei, juist het gebied waar de Syrische militairen gelegerd zijn, en waar het bij de bomaanslag nu juist allemaal om te doen was geweest. Onderweg zagen we moskeeën met de portretten van ayatollahs en sjeiks, die ik alleen van de televisie ken. Ook vlaggen van de Hezbolah beweging met handen die naar geweren grijpen. Er was niemand anders in de ruïnes van Baalbek. Een deel van de zuilen stond na twintig eeuwen nog altijd fier overeind. Elders in het land heeft het ene volk na een ander te hebben verslagen zijn tempels en forten boven op het bestaande gebouwd. Een eindeloze keten van vernietiging en nieuw leven, van volken die het niet goed met elkaar's god kunnen vinden.
Onderweg praat Fadi over zijn geboortestad, waar de bevolking ooit voor vijftig procent uit Moslems en voor vijftig procent uit Christenen bestond.
"Mijn vader had een bedrijf samen met een Christen," zegt hij. "Ze waren vrienden en noemden zelfs hun kinderen naar elkaar. Ik heette in die tijd Paul. Maar toen begon de burgeroorlog en je moest kiezen. Waar hoor je eigenlijk bij? De Christenen vluchtten naar Beiroet omdat ze daar veilig waren. Er werden veel mensen vermoord. Het oude Libanon, dat was allemaal voorbij. Er wonen niet veel Christenen meer in onze stad. Je gaat ook niet meer met elkaar om. Daarom is het erg dat Hariri vermoord is. Hij zei dat we niet naar het verleden moesten kijken, maar naar wat we samen in de toekomst voor elkaar konden krijgen."
Een uur voor we met de taxi naar Schiphol vertrokken had ik nog even naar de uroloog gebeld.
"Goh," zei hij. "Ik wilde net naar beneden lopen om je te bellen."
"En?" vroeg ik.
"Nul komma zeven," antwoordde hij.
De vorige keren dat hij me de uitslag gaf was het leuker. Onmeetbaar laag. Een beter bewijs dat het weg was bestond er niet. Ik weet dat zelfs iets met komma's erin te hoog is. Het hoort gewoon niets te zijn. Aan de andere kant is het gelukkig ook geen zesennegentig, want ik heb geleerd dat dat ook mogelijk is zonder dat je dat zelf door hebt.
Heel even, in het vliegtuig op weg naar Beiroet overviel me een matte droefheid. De dreiging verdwijnt nooit. Ik kan mezelf niets wijs maken. Er is geen enkele belofte voor ons dat we altijd blijven leven. Er kan maar zo een autobom ontploffen of een stel avontuurlijke prostaatcellen maakt er een potje van. Zodra ik uit het vliegtuig stap word ik opgeëist door het gewonde land, waar nog veel muren de littekens van de strijd dragen en een deel van de stad niet herbouwd is. Maar de mensen zeggen "Welkom in Libanon", vragen of je ze wilt fotograferen en bedanken daarna met hun hand op hun hart en wensen ons oprecht een goed en gezond leven toe.
"Waarom denk je dat de aanslag op Hariri een nieuw begin kan betekenen?" vraag ik aan Fadi.
"Ik denk dat we veel hebben geleerd" antwoordt hij. "We weten nu dat we een speelbal waren van grotere machten, die ons tegen elkaar op hebben gezet. Van politici die onze stemmen zochten, maar niet over de toekomst nadachten. Dat wil niemand meer. We laten niet langer met ons spelen."
Ik wil er ook graag in geloven.



Terug