Week 2005 11
Op het boekenbal werd ik deze keer gezien. In ons leven doen we een aanzienlijke hoeveelheid vage kennissen op. Meestal lopen we langs elkaar heen en wisselen een vriendelijk knikje uit, maar dit jaar vroeg menigeen me "Hoe gaat het me je?" of wilde iemand laten weten "Wat zie je er goed uit!" Na de publiciteit rond 'Walvis spelen' moeten veel mensen gedacht hebben dat het met me gedaan was. Kanker is een woord dat weinig goeds voorspelt. Hé, istie er nog? Een bekende die grappen maakt om er zijn brood mee te verdienen merkte op: "Toch niet ongeneeslijk ziek?"
"We zijn allemaal ongeneeslijk ziek," zei ik. Er hoeft wat mij betreft geen uitzondering te worden gemaakt voor mensen in wiens aanwezigheid het K-woord is uitgesproken. Iedereen gaat dood.
Of de aandacht die ik kreeg nu helemaal aan mezelf te danken was, valt te betwijfelen. Ik liep naast Marion en dat had het effect van lopen met een prachtige kleurrijke vlag die allereerst de aandacht trok, waardoor men onmiddellijk wist wat er bij hoorde. Zij was die vrouw van de man met dat gezwel. En met wat voor vlag betrad ik die avond de balzaal! Ik voelde me bijna als de boekenvorst die ons had uitgenodigd zelf. Liep ik daar niet met verreweg de mooiste vrouw van de wereld?
In Berlijn had ik de rode jurk een paar maanden geleden aan de pop zien hangen en ik twijfelde geen moment. Ik kon me Marion er helemaal in voorstellen en ik stond erop die voor haar te kopen. Met kerst moest het kindeke Jezus wedijveren met het prachtige lichaam van mijn lieve vrouw in dat feestelijke gewaad. God was goed en had mij Marion gestuurd als het bewijs van zijn goedertierenheid. Zijn liefde voor mij was vlees geworden.
Op het bal der ijdelen gingen de blikken van de mannen onmiddellijk naar het decolleté en vandaar naar beneden om de vormen die zo fantastisch in de jurk tot uiting kwamen te bewonderen. Marion vertelt wel eens verbaasd dat bij zo'n jurk ogen niet automatisch de hare zoeken, maar vijfentwintig centimeter lager blijven hangen en eigenlijk nooit meer terugkomen. Ze heeft geen idee tegen wie die mannen aan het praten zijn en zegt dan ook dat ze niet weet of ze dat eigenlijk wel leuk vindt. Ik voelde me als Lancelot die naast de koningin mocht lopen en alle onderdanen in het boekenrijk wilden het liefst even een moment hun hand op haar billen leggen. Oudere mannen die door drankgebruik overmoedig geworden waren probeerden zo'n aanraking ook werkelijk te stelen, zoals dat wel eens gebeurt door anonieme bezoekers van de overvolle soeks van Fez of Istanboel als daar een ongesluierde vrouw rond loopt. Mannen zijn overal het zelfde, of ze nu dikke boeken hebben volgeschreven of halal vlees verkopen. Hoe verheven onze zinnen ook mogen zijn, wat betreft onze zinnelijke lusten is er weinig verschil. Vrouwen ook. Ze kijken keurend, vragen zich af waarom zij die jurk niet zijn tegengekomen, of ze hem zouden hebben durven dragen en overwegen of ze de draagster van de jurk moeten complimenteren of verafschuwen.
Ik genoot ervan. We dansten. Een zweterige aangeschoten man, die ik nog nooit had gezien sloeg zijn armen om ons heen en probeerde iets uit te leggen over dancing shoes en the perfect match, maar zijn woorden gingen verloren in het geluid van de disco. Ik duwde hem zacht weg omdat ik liever had dat hij op zijn eigen benen stond.
De volgende dag had Marion rugpijn van het dansen op hoge hakken.
"Wat heb je gedaan?" vroeg Naïma, die juist die dag gekomen was om ons huis schoon te maken.
Ik legde het haar uit.
"We moesten naar het boekenbal," zei ik.
Ze keek me lang aan en had geen flauw idee waar ik het over had. Hier lag mijn kans iets bij te dragen aan haar verdere inburgering.
"Boekenbal, een feestje van schrijvers en mensen die boeken verkopen."
"Van ballen?" vroeg ze. "Voetballen?"
"Nee. Bal van dansfeest."
Het duurde even voor ik haar uit had weten te leggen dat het woord bal meerdere betekenissen kent en dat de boeken beslist niet dansen. In de Marokkaanse sprookjes die de beroepsvertellers op het grote plein van Marrakesh vertellen komt natuurlijk ook nooit een bal voor dat de plaatselijke vorst geeft, waar meisjes komen met glazen muiltjes in rode jurken. Haar verhalen gaan over de wijze sjeik. Als Hatema, de mooie vrouw die om zijn advies komt per ongeluk een scheet laat, doet hij of hij doof is en volhardt daarin tot de vrouw uiteindelijk is overleden. Hij wil haar nooit in verlegenheid wil brengen.
"Marion droeg haar laarzen met hoge hakken," legde ik aan Naïma uit. "En ze had een heel mooie rode jurk aangetrokken. Ze zag er prachtig uit."
"Ja," zei Naïma. "Marion heeft een mooie vorm. Ik zeg altijd tegen mijn dochter. Eerlijk waar. Als ik niet vind, zeg ik niet."
Een mooie vorm, beter valt het niet te omschrijven. En rood is haar kleur. Toen ik de jurk in de Duitse hoofdstad zag hangen en me er Marion in voorstelde, keek ik toen naar haar met die zelfde geile blik als de schrijvers, uitgevers en journalisten die in de gangen van de stadsschouwburg rondhingen? Ben ik net als al die mannen, maar heb ik toevallig de mazzel dat ik vierendertig jaar geleden haar aandacht wist te trekken en hebben we inmiddels zoveel verhalen samen meegemaakt en bedacht dat we elkaar niet meer kunnen verlaten zonder daar minstens de helft van te verliezen? Mocht ik ooit toch nog onverhoopt komen te overlijden, kan Marion dan misschien die rode jurk dragen zodat de mensen die me komen uitzwaaien weten dat daar de man gaat van de vrouw met die mooie vorm in de rode jurk.



Terug