Week 19
Mijn lieve vrouw heeft besloten om mijn gezondheidssituatie grondig aan te pakken. Wat me ook dwars moge zitten, zij jaagt het vol energie uit mijn lichaam. Eens in de maand gaat ze naar een winkel waar men gezondheid verkoopt. Voor haar slik ik bruinige capsules. Ze zijn vele malen groter dan de kleine gemene witte pilletjes van de uroloog, die mijn lichaam ingrijpend veranderen. Nadat ze mijn situatie aan de winkelier had uitgelegd, wist deze onmiddellijk wat ik moest hebben.
"Werkt het wel?" informeerde mijn vrouw als een goede consument. We gaan immers geen geld verspillen aan iets dat zinloos is.
"Het levend bewijs staat hier voor u," zei de man, die dat waarschijnlijk tegen elke klant zegt of ze nu met anusjeuk, ernstige huidschilfers, benauwde hoest of bedwateren komen. "Er zit ook lycopeen in", voegde hij eraan toe. "Kijk maar op Internet, dan ziet u wel wat ik bedoel."
Mijn vrouw koopt behalve die capsules allerlei zaadjes en nootjes en mengt die met veel zemelen door mijn voedsel. Het is een stevig laxerend hapje, waardoor ik vaak extra hard het bos door ren om op tijd terug zijn om naar de wc te kunnen.
Verder geeft ze me elke dag een grote eetlepel levertraan. Ze begrijpt niet dat ik elke keer weer ril en gruwel. Ze vindt het kinderachtig en dat is het ook, want ik had dat zelfde toen ik tien was en mijn moeder elke dag van de maand waar de R in zat klaar stond met een zelfde lepel. Ik voorop, mijn broertje en zusje achter mij, want ik moest het goede voorbeeld geven. Natuurlijk probeerde ik altijd net rond die vaste tijd na het avondeten onvindbaar te zijn, maar vroeger woonde men nog klein. Het was onmogelijk te verdwijnen. Als ik de levertraan dan zo vreselijk vind, mag ik van mijn vrouw capsules slikken waar het zelfde in zit. Het gaat om dagelijks vijftien grote donkerbruine projectielen, waar een bolletjesslikker waarschijnlijk al tegen op ziet, dus ik verkies dan toch maar de levertraan.
Hoewel ik zelf vind dat je zolang je er nog bent je niets aan moet trekken van wat er aan je knaagt, omdat je anders wat je nog rest ook nog eens bezwaart met de hypotheek van de dood, begrijp ik ook wel dat de mensen in mijn omgeving daar andere ideeën over hebben. Zij vinden dat ik alles, maar dan ook alles moet ondernemen. Ik doe wat mijn vrouw wil, want het overkomt haar ook allemaal en ik heb niet het recht om haar strategieën om de toekomst naar haar hand te zetten te doorkruisen.
Slechts af en toe leidt het tot pijnlijke momenten. Toen er tussen de slechte uitslagen van het ziekenhuis eindelijk eentje zat die meeviel en we dat vierden door samen uit eten te gaan, bestelde ik bij het eten een glas wijn. "Zou je dat wel doen?" vroeg ze, maar het was eigenlijk geen vraag.
Hoe lang had ik er niet over gedaan een goede Chardonnay op eikenhout bewaard te herkennen of de vanillesmaak in een Rioja te waarderen? Jaren van mijn leven had ik daarin gestopt. Moest ik die training nu volkomen nutteloos maken? Toen ik later aan de uroloog vertelde dat ik al maanden geen alcohol meer dronk, keek hij ons verbijsterd aan, maar hij begreep misschien niet dat ik alles, maar dan ook alles wil doen om mijn leven in balans te brengen en gelukkig te zijn. Wie gelukkig is, heeft immers nog zin om er mee door te gaan.
Zij houdt van mij en kijkt of er in de koekjes niet te veel roomboter zit en ook alles waarin suiker verwerkt is, vindt ze verdacht. Het is maar goed dat ik haar nog heb. Mensen blijven door liefde in leven.
Toch zijn er dagen dat het me moeilijk valt. Dan ren ik bezwaard door het bos omdat haar drastische aanpak al snel nadat ik ons huis heb verlaten effectief wordt. In het deel waar de dennenbomen dicht bij elkaar staan probeer ik vertwijfeld een goed heenkomen te vinden. Altijd ben ik bang dan precies de vrouw met de grote grommende honden tegen te komen. Het is eigenlijk niet zo zeer grommen dat ze doen, maar knorren. Ik vermoed dat ze erg gevaarlijk zijn, die beesten. Zodra ik ze zie roep ik onmiddellijk "af, af; daar is het baasje".
Gelukkig. Er is niemand te zien en ik verdwijn achter de bomen. Maar juist als ik bevrijd ben van alle zemelen, tomatenpitten, zaadjes en nootjes die regelrecht je lichaam doorreizen vanaf de ingang, hoor ik het geknor. Snel trek ik de trainingsbroek omhoog. De honden komen mijn richting in, maar de vrouw die erbij hoort zie ik nog niet. Voordat ik echter "af, af" kan roepen zijn ze me al gepasseerd en vallen ze enthousiast met hun snuit in het resultaat van de liefdevolle aandacht van mijn vrouw.
Misschien is het wel goed. Die honden zullen het nooit krijgen. Daar ben ik zeker van.

Terug