| Week 2005 17 Op de dag dat ik opgebeld werd door de secretaresse van de Gezondheidsraad dacht ik aanvankelijk dat men me eindelijk ging vragen om lid te worden. Gewoon, om eens een andere stem dan de gebruikelijke in die raad te laten meeklinken. Waarom was ik wel jaren lang lid geweest van de Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek in Ontwikkelingslanden? Waarom maak ik al zo lang deel uit van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking van de Adviesraad voor International Vraagstukken? Ik weet toch meer van pijnstillers en antidepressiva dan van instabiele staten in Afrika of de noodzaak de EU uit te breiden naar het Oosten. Natuurlijk, mijn collega's vinden me lastig. Mijn broeders uit de familie der geneesheren hebben me nooit nodig gehad. Die jongens konden het prima zonder me, maar nu ging dat veranderen. De secretaresse verbond me door met een vriendelijke man die informeerde of ik de Van Walreeprijs wilde ontvangen. Ik was daarvoor voorgedragen en men had mij unaniem verkozen. "U krijgt de prijs omdat u met uw werk een brug slaat tussen een breed publiek en ontwikkelingen in de geneeskunde, vooral op het gebied van medicijnen," lichtte de vriendelijke heer toe. Gedurende een kort moment dacht ik na en ik kwam vervolgens heel snel tot de conclusie - hoe arrogant dat ook mag klinken - dat als iemand die prijs verdiende ik dat wel was. Wie hadden dan wel in hemelsnaam in de voorafgaande jaren de prijs mogen ontvangen? "Ja leuk," zei ik. "Dan krijgt u spoedig een brief met nadere informatie." Nadat ik de telefoon neergelegd had vroeg ik me af of er ook een geldbedrag aan de prijs verbonden is. Hoe eervol iets ook mag zijn, de waarde wordt uiteindelijk toch in getallen uitgedrukt. "Was man um sonst macht, macht man um sonst," zei Freud al, in zijn onmetelijke psychoanalytische wijsheid. Ik herinner me dat ik de Mary Zeldenrustprijs ontving voor mijn voorlichtend werk op het gebied van seksualiteit. Ook vreselijk leuk, maar het eraan verbonden bedrag stond gelijk aan wat ik voor een lezing in rekening breng. Het voelde toch een beetje raar. De lovende woorden van de jury onder voorzitterschap van Martin van Amerongen waren erg prettig, maar het bronzen plastiek leek op een jongenspiemel. Telkens als ik het in mijn kast tegen kwam vroeg ik me af of de kunstenares gedacht had dat ze iets moest maken voor een festival van blinde pedofielen. Die zelfde dag heb ik nog zonder succes op internet gezocht naar informatie over de prijs en vooral naar een mogelijke eraan verbonden geldelijke beloning. Hoewel je vrijwel alles wat je niet en wel weten wilt op het internet vindt, kwam ik hier niets over te weten. Een paar weken later toen er een persbericht over mijn prijs was uitgegaan werd ik in een radioprogramma geïnterviewd. "Wie was die van Walree?" werd me gevraagd. "Om eerlijk te zijn heb ik geen flauw idee wat die Van Walree voor man was," zei ik. "Het was een mevrouw," interrumpeerde de interviewster me. Gelukkig. De wereld is leuk omdat er zoveel vrouwen wonen. Ze zijn van zichzelf uit net iets interessanter dan mannen. Ook lastiger. Dat geef ik toe, want het hangt nu eenmaal samen. Net zoals bij mannen voorspelbaarheid en gemakkelijk vaak een vaste combinatie vormen. Ik werk meestal met vrouwen omdat ze minder geconditioneerd zijn om prestigieuze carrières na te jagen en dus in echte mensen en hun problemen zijn geïnteresseerd. Het merendeel van de studenten die bij me komen zijn vrouwen, omdat ze net zo naïef zijn als ik en geloven dat het nog wel in orde komt met de wereld. Het research netwerk in Azië waar ik een groot deel van mijn werktijd aan besteed heb, bestaat ook voor het grootste deel uit vrouwen die opkomen voor de rechten van schoonmaaksters, fabrieksmeisjes, plantagewerksters en prostituees. De onzichtbare vrouwen die voor hun oude ouders, hun kinderen, hun zusjes en broertjes en hun mannen zorgen. Ja, ik ben blij dat alle tot nog toe aan mij uitgeloofde prijzen van vrouwen kwamen. Nadat ik vorig jaar overal mocht vertellen over hoe ik kanker kreeg en waarom ik er een verhaal van heb gemaakt om het nog een beetje leuk te houden, mag ik nu op radio en televisie uitleggen waarom ik die prijs heb gekregen. Daarbij komen twee vragen telkens terug. "Hoe vindt u het nu dat u erkenning krijgt voor uw werk, terwijl u altijd zo kritisch bent geweest ten aanzien van uw vakgenoten? Hebben ze u alsnog in de armen gesloten?" Dan denk ik "Wacht maar tot ze weten wat ik in mijn dankwoord ga vertellen". Dan zal die omhelzing misschien wel weer wat minder intiem worden. En de tweede vraag is: "Zo, twaalfduizend Euro. Dat is leuk. Wat gaat u daar nu mee doen?" Omdat ik, sinds Marion ruim een maand geleden met www.eenroyaalgebaar.nl begonnen is, nauwelijks aan werken ben toegekomen, moeten we dat geld van die prijs maar gebruiken voor de hypotheek, de visboer en de bakker. Indirect komt het terecht bij de brief aan onze vorstin. Marion zit daar overigens wel mee. Al een paar keer heeft ze gezegd dat ze het zo vervelend vindt dat we zo druk zijn met deze actie, terwijl eigenlijk alle aandacht en tijd zou moeten gaan naar mij en die Van Walreeprijs. In plaats daarvan bereiden we een feestelijke bijeenkomst in Den Haag met politici voor om ze te vragen of ze ook de brief aan de koningin willen tekenen. Dat is helemaal niet erg. Als ik die prijs kon ruilen voor een generaal pardon voor die asielzoekers, dan deed ik het zonder een seconde te twijfelen. Niemand vraagt me echter of ik dat wil, ook niet de vrouwen die de laatste weken ons leven bepalen: de koningin niet, minister Verdonk niet, mevrouw van Walree niet. "Moet ik bij de uitreiking aan je iets braafs aantrekken?" vraagt Marion me. "Trek maar iets aan," zeg ik, "dat als die mannen van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen je zien, ze bij zichzelf denken dat de wereld heel erg oneerlijk in elkaar zit. Krijgt die kerel die prijs al, mag hij na afloop ook nog met haar naar huis." Terug |