| Week 2005 18 De duif lag dood tegenover het raam van mijn studeerkamer, twee meter bij me vandaan. Was hij door één van de in mijn tuin jagende katten verrast? Ik was net iets aan het schrijven en kon niet onmiddellijk voor een nette begrafenis zorgen. Elke keer als mijn ogen afdwaalden werden ze echter geconfronteerd met het blauwgrijze hoopje op het terras. Ik verschoof mijn stoel zodat het vogellijkje achter mijn beeldscherm verdween en ik ongestoord in mijn verbeelding kon blijven. De telefoon ging. "Met Jan de Wit," zei hij. "Nou moeten jullie eens goed luisteren, jullie moordenaars van Fortuijn…." Onmiddellijk verbrak ik de verbinding. Het stuk moest af en ik had geen zin om naar de scheldkanonnade van een anonieme beller te luisteren. Dat het antwoordapparaat dat met mijn telefoontoestel verbonden is nog werkte, wist ik helemaal niet. Telkens weer ging de telefoon en dan hoorde ik eerst een damesstem zeggen: "Sorry, we cannot answer your call right now, but you can leave your message after the beep." Daarna vervolgde Jan de Wit met zijn tirade: "Ja, jullie lafaards leggen snel de haak erop, maar wij weten jullie te vinden. Met je royaal pardon. Die asielzoekers horen hier niet. Die moeten zo snel mogelijk oprotten en jullie soort mensen ook. Nederland is voor de echte Nederlanders." Na drie kwartier was Jan de Wit moe geworden. Op advies van mensen die hier vaker mee te maken hebben belde ik de politie om het te melden . Twee dagen later belde hij weer. Hij ging verder met zijn lesjes in democratie. Hij herhaalde eigenlijk wat mevrouw Verdonk een paar dagen daarvoor in de Telegraaf had gesuggereerd. "Jullie verspreiden leugens over die lui, maar het zijn allemaal criminelen. Ze hebben hier niets te zoeken. Laat ze oprotten. Als een meerderheid in de kamer vindt dat ze weg moeten, dan doen ze dat. Heb je dat begrepen?" Met een ander toestel belde ik de politie en toen Jan de Wit voor de zoveelste keer een toespraak afstak hield ik de telefoons tegen elkaar zodat de dame op het politiebureau mee kon luisteren. "Ja, daar kan ik niets mee," zei ze. "U hoort toch dat iemand ons via de telefoon lastig valt en dreigende taal uitslaat," zei ik. "Daar mag ik toch hoop ik wel aangifte van doen." "Dan moet u de KPN maar bellen en een ander telefoonnummer nemen," antwoordde ze. "Moet ik dan gestraft worden voor de misdragingen van anderen en een ander nummer nemen?" informeerde ik. "Het staat iedereen in Nederland vrij iemand op te bellen en zijn mening te geven. En als u aangifte van iets wilt doen, moet u morgen maar naar het bureau komen," zei ze. "U moet wel uw identiteitspapieren meebrengen zodat we weten wie u bent." Ik belde de KPN op, want ik had begrepen dat ze het telefoonnummer kunnen traceren. "Ja, dat kan," zei de man. "Maar er is wel een wachttijd van anderhalve maand. Het gaat namelijk om dure apparatuur." "Wij worden nu bedreigd en lastiggevallen," zei ik. "Als zo iemand mijn telefoonnummer kan vinden kan hij ook mijn adres te pakken krijgen. Dit is geen hijger die vraagt wat voor onderbroek ik aan heb." "Neem, dan een ander telefoonnummer," adviseerde hij. "Een geheim nummer." "Ik hoef me zelf toch niet van onze samenleving te isoleren," zei ik verontwaardigd. "Ik zal u een formulier sturen," zei hij kort. "Vul dat in en dan zullen we zien wat we voor u kunnen doen." De volgende dag stond ik in een rij in het politiekantoor op mijn beurt te wachten. Mensen die gevonden portemonnees kwamen brengen: "Het geld was er al uit hoor." "Door wie wordt u precies gebeld?," vroeg de agent. "Hij noemt zichzelf Jan de Wit, maar of hij echt zo heet?" antwoordde ik. "Ja, als we geen naam hebben, dan kunt u ook geen aangifte doen," legde hij uit. "Daar moet u eerst achter komen. Bel de KPN of ze een vangnet plaatsen." "Die hebben anderhalve maand wachttijd," legde ik uit. "Ja," zei hij met inlevende blik. "Waarom neemt u geen ander nummer." Een halve ochtend had ik niet kunnen schrijven doordat ze me van het kastje naar de muur stuurden. Als asielzoekers met een dergelijke bureaucratie te maken hebben kan ik me voorstellen waarom het negen jaar duurt voordat ze zekerheid krijgen of ze mogen blijven of niet. Incompetentie verscholen achter regels die bedoeld zijn om tijd te rekken en de verantwoordelijkheid te verleggen. Ik was van slag. Niet door Jan de Wit. De volgende keer dat hij belt zal ik hem gewoon vragen "Jongen, wat zit je nou dwars? Neuk je wel genoeg? Doe eens wat leuke dingen met je leven." Nee, ik was aangeslagen door het besef dat de wereld die ik kende en altijd gekoesterd heb - een Nederland van fatsoenlijke mensen, die respect hebben voor elkaar en tolerant zijn - aan het verdwijnen is. Dinsdag de zesentwintigste was echter een prachtige dag. Misschien wel één van de mooiste van mijn leven. Het was de eerste eenroyaalgebaar-dag. Op het plein voor het gebouw van de tweede kamer stonden we om de mensen die verantwoordelijk zijn voor ons land duidelijk te maken dat het uitzetten van die 26.000 asielzoekers die hier al langer dan vier jaar zitten inhumaan is en tegen alle regels die men internationaal heeft aanvaard over hoe je met vluchtelingen en hun kinderen dient om te gaan. Als politici er al een gewoonte van maken om de woorden asielzoekers en criminelen in één zin uit te spreken dan is er iets heel erg mis met hun gevoel voor verantwoordelijkheid. Wij stonden daar buiten het parlement met onze gedeelde bezorgdheid over een samenleving die uit elkaar valt, over de intolerantie, over het bewust versterken van tegenstellingen en over de waanzin om je mislukte beleid - mislukt omdat je zo weinig snapt van wat er in de wereld gebeurt - af te reageren op de hoofden van vluchtelingenfamilies, die nergens meer naartoe kunnen. Ja, er waren toch ook heel veel mensen met hart in hun donder, die op wilden komen voor de toekomst en voor wat mensen willen delen. Ik had de moed een beetje verloren, maar vond hem daar terug. Het is allemaal best te genezen. Voor mijn bonuskleinkinderen en mijn kleinkind dat Elle draagt zou ik als ik moest kiezen tussen zelf genezen of het land genezen, zonder een moment te aarzelen voor het laatste kiezen. Thuis was de duif spoorloos verdwenen. Geen idee waar naartoe. Er lagen alleen nog wat veertjes. Op de ruit van de bibliotheek ontdekte ik hoe hij aan zijn eind was gekomen. Ik zag daarop een vettige afdruk van zijn lichaam. Vleugels gespreid. De afdruk van de snavel iets donkerder. Eén pootje opgetrokken, het andere gestrekt. Het had iets van een röntgenfoto. De duif moet in paniek voor iets gevlucht zijn en gedacht hebben dat hij bij ons binnen onderdak kon vinden. Zo had hij zich dood gevlogen op een huis dat hem niet toeliet. Terug |