Week 19 - 2005
Onderweg in de taxi van het vliegveld van Jakarta naar de stad vraagt de chauffeur me: "Kan ik niet met u mee naar Nederland? Dan kan ik daar werken. Hier is geen geld meer."
"Onmogelijk," zeg ik beslist. "In Nederland kan niemand meer binnen komen."
Hij vertelt me hoe moeilijk het tegenwoordig is. 'Cari uang" is de uitdrukking in dit land. Elke dag moeten de mensen er weer op uit om 'geld te zoeken'. Nog geen tien jaar geleden liep ik als ik in Zuidoost Azië kwam met open mond rond. Alles leek te kunnen en als er meer dan een half jaar tussen twee bezoekjes zat was het moeilijk je weg in deze stad terug te vinden. In hoog tempo kwamen er gigantische gebouwen bij en de wegen werden steeds breder. Alles leek voortdurend in beweging. De winkels puilden uit met dingen die we in Europa ons nauwelijks konden veroorloven, maar waar hier de nieuwe rijken recht op meenden te hebben. De champagne bleef stromen, hoewel het merendeel van de bevolking van Indonesië toch uit moslems bestaat. De trots straalde van de gezichten van de mensen, die blij waren om Indonesiër te zijn. De manier waarop ze zich in kleding van guess en dolce gabana staken getuigde van een enorm zelfvertrouwen. Zie mij eens: ik ben iemand. In 1996 was het land geen ontwikkelingsland meer en steeds meer Nederlanders migreerden er naartoe. Goudzoekers. Zuidoost Azië was het deel van de wereld van de mogelijkheden. Wie een beetje handig was kon in Indonesië schatrijk worden. Expats werden zulke opportunistische migranten genoemd.

Ineens was het echter allemaal voorbij en de armoede was weer terug. De Aziatische economische crisis van 1997 zorgde voor een radicale ommekeer. Mensen moesten hun Mercedes verkopen. Soapsterren hadden ineens zo weinig uit te geven dat ze kleine restaurantjes op de trottoirs openden om wat bij te verdienen. Zakenlieden probeerden op straat hun CD's te verkopen. Soms stapte ik in een taxi en al snel ontdekte ik dat het een accountmanager of IT deskundige was, die z'n auto niet meer kon onderhouden en hem daarop 's avonds als taxi exploiteerde. De moskeeën stroomden vol. Javanen die enorm van hun rijstvelden en vulkanen houden en er nooit weg willen, trokken naar landen waar werk was om hun ouders, vrouwen, mannen of kinderen te kunnen onderhouden. In korte tijd werd Indonesië van een land waar mensen vooral naartoe wilden één van de grootste exporteurs van arbeid.

Ik moet nogal overtuigend geweest zijn in mijn antwoord, want de taxichauffeur informeert niet meer naar de mogelijkheden te migreren. We praten over andere dingen. In het Indonesisch wordt dat 'omong kosong' genoemd. Het heeft niet alleen een heerlijke klankrijm, maar bovendien omschrijft het zeer accuraat wat we doen. Leeg gebabbel. Zonder inhoud. De rit duurt erg lang. Er is 'macet'. Zelden heb ik een woord gehoord dat zo vriendelijk klinkt en daarom de onaangename betekenis vrijwel geheel neutraliseert: file. De files in Jakarta zijn berucht. De Jakartanen vechten voor elke twintig centimeter ruimte en daardoor komt het verkeer steeds vaster te zitten. Ik weet allang dat Indonesisch een zangerige en poëtische taal is, waarin alles een stuk vriendelijker lijkt dan het in werkelijkheid is. Ik heb de taal leren spreken via een cursus van het Indonesische leger voor Amerikaanse instructeurs: acht boeken en 64 cassettebandjes, die ik op mijn walkman afspeelde tijdens mijn hardlooprondjes. Ik leerde alle wapens waar men in het Indonesische leger gebruik van maakt kennen. Ook nuttige uitdrukkingen zoals: "Hebben we de gevangenen moeten martelen voor ze vertelden waar de troepen gelegerd waren?" Voor martelen gebruikt men de zangerige term mengeyiswa. Zoals vaak met taalcursussen het geval is zitten er altijd zinnen tussen die je nooit zult kunnen gebruiken.

Eenmaal in mijn hotel gekomen raak ik enigszins gedeprimeerd. Lijkt die hotelkamer niet exact op honderden andere hotelkamers waarin ik in de loop van mijn leven heb gelegen? In plaats van dat die vertrouwdheid me helpt me op mijn gemak te voelen, word ik opstandig. Ik erger me aan het feit dat de directie van het hotel waarschijnlijk een goedkope partij 25 wattlampen op de koop heeft weten te tikken, waardoor ik te weinig licht heb om ontspannen te kunnen lezen. Voor de stemming is het levensgevaarlijk de Indonesische televisie aan te zetten. De overgeacteerde soapseries met onderdanige kindvrouwtjes met onschuldige piepstemmetjes en stoere mannen met opgeplakte snorren, stemmen niet vrolijk. En dan regent het ook nog terwijl het regenseizoen officieel al is afgelopen. Wat doe ik hier in hemelsnaam? Mijn hoofd is niet meegevlogen en vertoeft nog gewoon in mijn werkkamer waar het bezig is met Marion's een royaal gebaar actie. Tot tien minuten voor mijn vertrek ben ik ermee bezig geweest. Ik pieker over het boek dat nu gemaakt moet worden, waarin al die hartverscheurende verhalen van vluchtelingen samen met de brief aan de koningin een plek zullen krijgen als een volledig pakket waardoor onze vorstin zelf kan zien hoe we omgaan met die vluchtelingen. Waarom een Afghaanse jongen die al zeven jaar in Nederland is en het goed op het gymnasium doet twee weken voor zijn examen van school halen en in een uitzetcentrum opsluiten? Moeten die mensen niet alleen gestraft maar ook nog gepest worden?

Het duurt drie dagen voor mijn hoofd zich bij mijn lichaam voegt. Ik zit op een bankje bij een warung, drink teh pahit, en eet droge rijst met gebakken vis en lalapan. Mijn overhemd kleeft aan mijn rug nadat ik de tropische avond getrotseerd heb door een wandeling te maken. Dit land en ik cocokken. Dat is zo'n andere interessante term in Indonesië: een onderneming wordt nooit iets als de betrokken niet bij elkaar passen: cocok. Een zakendeal mag nog zo aantrekkelijk zijn, maar als het niet cocokt dan beginnen Indonesiërs er niet aan. En voor mensen in het huwelijk treden moet goed uitgezocht worden of het een goede combinatie is.Ik pas wel bij dit land en het land bij mij, hoewel ik er nooit zou willen wonen. Ik vraag me in toenemende mate af of er ook mensen op deze wereld rondlopen die met Nederland cocokken en er toch willen wonen.



Terug