Week 20
Ik droomde vannacht dat mijn vrouw, mijn zoon en ik in de marathon van Darassalam mee deden. Waarom daar? Ik weet het niet. Ik herinner me geen van de andere lopers. Er moeten veel van die snelle Oost Afrikanen geweest zijn. Wij werden nummer één, twee en drie. Het was een heel fijne droom.
Ergens las ik dat uit onderzoek gebleken was dat wie sport minder kans heeft dood te gaan aan wat ik heb. Dus ren ik elke dag en bovendien ook 's nachts nog in mijn dromen. Natuurlijk heb ik mij na het lezen van dat onderzoek in de eerste plaats afgevraagd waarom ik het dan gekregen heb, want ik ren al meer dan twintig jaar, maar op zulke vragen valt geen zinvol antwoord te geven.
Al jaren leg ik elke dag het zelfde rondje af. De bomen en struiken onderweg zijn me vertrouwd en als ze in de lente hun nieuwe jurk laten zien, ben ik blij voor ze. Het is weer gelukt. Ze hebben de winter overleefd. Ook de mensen in het bos ken ik. Meestal zijn het wandelaars met honden. Die zijn van nature veel rustiger dan hardlopers. Ze zullen zich wel eens afvragen of die man in zijn zwarte trainingspak er dan nooit is. We groeten elkaar. Vorige week zag ik na weken de man met het grijze haar en het veel te kleine hondje terug. Oudere mannen hebben kleine hondjes. Vrouwen hebben grote honden. Jonge mannen hebben van die enge beesten met een bijtsnuit. Ik was wat bezorgd over de man met het grijze haar. Mannen van die leeftijd kunnen er zo maar geweest zijn. Als ze ineens verdwenen zijn kan dat van alles betekenen, maar toen hij er weer was stelde me dat gerust. De man met de roze bril en de krullen zie ik al een half jaar niet meer. Ik vrees het ergste. Hij had ook een te klein hondje. Het was een onrustige man, niet gelukkig denk ik, en hij liep altijd zo vreselijk snel dat het beest als een waterskiër achter hem volgde. Dat zelfde hondje zie ik nu met een grijze dame. Ze kunnen natuurlijk ook gescheiden zijn. Het lijkt me geen gemakkelijke vrouw, maar het hondje krijgt in elk geval wel veel meer rust.
Diep in mijn kast heb ik de schoenen van vele jaren rennen. Nike, Addidas, Reebock, Asics en tegenwoordig Sauconny. Allemaal met scheef afgesleten buiten achterhakken. Het is moeilijk ze weg te gooien. Elk paar heeft me toch zo'n vijfentwintig honderd kilometer gedragen. Dat creëert een band. Ik kan er een museum mee maken en ik zou het liefst mijn verjaardag niet vieren maar op een dag mijn vrienden en familie uitnodigen omdat ik wat kilometers betreft twee maal de wereld ben rond gerend. Zou er iemand zijn die daar op af komt?
Sinds ik het heb, mis ik geen enkele ochtend meer. Ik ben gaan geloven dat zolang ik ren ik ook leef. Daarom laat ik me niet meer stoppen. Eerst rennen en daarna schrijven. Ik weiger het op te geven.
Deze week kwam ik ergens langs een huis dat opgeknapt werd. Er zaten twee schilders voor die even pauzeerden. Een van de schilders riep me na. Een soort grap. Niet leuk en eigenlijk bedoeld voor de ander om hem te laten zien hoe gevat hij was en hij wilde die ander ook zeggen dat hij hem aardig vond, maar hij durfde niet. Het vaakst hoor ik de werkmannen roepen: "Ze hebben hem al hoor." En dan roep ik maar terug: "Die andere ook?" Ik wil die mensen nu eenmaal niet kwetsen. Deze schilder riep: "Rustig maar. Je bent er bijna." Ik werd een beetje boos. "Helemaal niet. Nog lang niet.," riep ik terug.

Terug