| Week 2005 25 Elke keer dat mijn moeder belt en ik haar vertel dat ik zo druk ben en dat ik daarom zo weinig van me laat horen, zegt ze: "Kijk je wel uit? Nou gaat het juist zo goed en dan zou dat andere weer op gaan spelen." Ik stel haar gerust. Dat andere is onder controle. In werkelijkheid is het er natuurlijk nog, al laat het even niets van zich horen. Elke keer als ik mijn dokter bezoek zijn de bloeduitslagen iets hoger, teken dat de kwaadaardige cellen zich hebben gehergroepeerd en weer druk bezig zijn. Als ze net zo snel hun gang gaan als ik, dan is dat geen prettig vooruitzicht. "Anderhalf," zei de uroloog deze week. Bij mijn vorige bezoek was het nul komma zeven, een verdubbeling in vier maanden. Gaat het in dat tempo voort? Realistisch gezien betekent het dat ik dan in het najaar van 2006 weer serieus moet gaan nadenken over het gebruiken van medicijnen die ik niet wil, om te voorkomen dat ik uitzaaiingen krijg. "En dan niet vijftig milligram per dag, maar honderdvijftig milligram," voegt de uroloog er met vriendelijke glimlach aan toe. Dus ik mag waarschijnlijk nog een jaar genieten van wie ik ben en wat ik doe, met al mijn fijne hormonen erop en eraan. Thuisgekomen uit het ziekenhuis ga ik met David en Feline zwemmen. Ze logeren een nachtje bij ons. In het water hoef je zelfs je eigen gewicht niet te dragen. Feline bedenkt een uur lang spelletjes die we moeten doen. De shiba-shuba, de kali-kalu, de paka-raka, eindeloze variaties op haar bij de handen pakken, uit het water tillen en er weer ingooien. Later toon ik de kinderen de vogelnestjes in de tuin, de druifjes die nog heel klein zijn, maar toch dapper beginnen te groeien, en de foto's van een egel die ik voor ze heb gemaakt. Als ik de volgende dag college geef zie ik een jongen en een meisje uit een land waar de vrouwen normaal gesproken vast en zeker een hoofddoek dragen, twee uur lang hand in hand zitten. Met zijn vrije hand schrijft de jongen voor hen beide samen een verslag van mijn woorden. Ze zijn mooi met z'n tweeën. Ik betrap me erop dat ik vaak naar ze kijk. In de stad van hun ouders, in Teheran, in Karachi, in Isfehan, in Bagdad of waar dat ook is, zouden ze nooit zo kunnen zitten. Religieuze politie of medestudenten zouden het niet toestaan. Mijn college gaat over gelijkwaardigheid in ontwikkelingssamenwerking en wat dat betekent voor medisch werk. Aan mijn studenten leg ik voor dat we in onze eigen samenleving niet zo geweldig met oude mensen omgaan. Dit is een wereld voor mensen die jong zijn of net doen of ze jong zijn, voor individualisten. "Hoe zou je het nu vinden als er deskundigen uit Indonesië waar oudere mensen wel een rol in de familie en de samenleving spelen naar Nederland komen om ons te adviseren wat we moeten gaan doen met onze ouderen?" vraag ik ze. "Ze komen de straat in rijden met een jeep en op de zijkant staat 'save the elderly'. Wij doen dat zelfde rustig in andere landen. We trekken naar het platteland van Afrika met auto's waarop 'save the children', 'feed the people' staat en zonder al te veel naar hun mening te vragen gaan we mensen uitleggen wat ze allemaal moeten veranderen. Hoe ze hun kinderen te eten moeten geven en wat, hoe lang de borstvoeding moet duren, hoe ze naar de wc moeten gaan, dat ze hun handen erna moeten wassen, dat hun drinkwater schoon moet zijn, hoeveel kinderen ze moeten nemen, dat ze een condoom moeten gebruiken, dat ze het bij één partner moeten houden en liefst ook voor het huwelijk geen dingen moeten doen waar ze vast veel spijt van zullen krijgen, en zeker niet anaal. We geven ze hulpgeld als ze dat doen en sturen deskundigen om het voor ze te begeleiden en controleren. Waarom vinden we het eigenlijk normaal als wij dat doen in andere landen?" Het is de arrogantie van de rijken, het superioriteitsgevoel van mensen die denken dat omdat ze toevallig in Nederland geboren zijn, ze zelf de Nachtwacht hebben geschilderd, de gedachten van Spinoza op papier hebben gezet, de Max Havelaar hebben gecreëerd, de scheiding tussen kerk en staat uitgevonden hebben en hun grootste meesterwerk is wel de Verlichting. Met plezier hou ik mijn studenten voor dat de enige man die in Nederland verlichting gebracht heeft mijnheer Philips uit Eindhoven is en dat er bijna geen Nederlander is, die weet of Voltaire en Diderot ook voornamen hadden. En passant weef ik nog iets over de asielzoekers en over Marion's actie in mijn college. Na afloop komen de jongen en het meisje en nog een andere donkere jongen naar me toe. Ze blijven hangen, willen praten. Het zijn kinderen van asielzoekers en hoewel ze inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben, voelen ze zich in toenemende mate ongemakkelijk in ons land. Voortdurend lijken ze verantwoording voor hun aanwezigheid af te moeten leggen. "Toen ik hier kwam op mijn vijfde was dit land anders." Ik vertel dat we maandag het boek van 'Een Royaal Gebaar' aan mevrouw Verdonk gaan aanbieden en op dinsdag boeken gaan uitdelen aan tweede kamerleden, opdat ze iets meer weten van wat er aan de hand is. "Ik ben blij dat er mensen zoals u in Nederland zijn," zegt de jongen en het meisje kijkt me glimlachend aan. Snel zeg ik dat mijn vrouw en ik niet de enige mensen zijn die zich druk maken en dat er meer dan tweehonderdduizend mensen zijn die Marion's brief aan de koningin hebben ondertekend. De jongen schrijft zijn emailadres op en geeft het me. "Als u mensen nodig hebt voor iets, dan kunt u me schrijven. Dan doen we mee." Als dit is wie ik ben en als dit is wat ik doe, dan wil ik daar nog minstens een jaar zonder ook maar even in te houden mee doorgaan. En als ik die medicijnen weer moet slikken dan daarna ook nog. In de auto op weg naar huis bel ik mijn moeder. Misschien doe ik het om haar te horen vragen "Je maakt je toch niet te druk jongen?". Zodat ik kan zeggen "Ja, maar dat is goed en dat wil ik." Deze week was ze met een groep vriendinnen van net als zij rond de vijfentachtig op excursie. "Ach die stumpers," vertelt ze me. "Ze kunnen niets meer. Wil kan helemaal niet meer lopen en kon dus niet mee op de boot. Annie mocht haar rollator dan wel mee. En Tanja, die zit alleen maar. Kan niets meer, heeft geen zin. En vroeger kon ze zo goed tennissen." Terug |