| Week 2005 26 Door het open raam komt het geluid van zomers geluk. Gelach, muziekflarden uit vroegere junimaanden, door veel witte wijn luide stemmen. Mensen rekken deze avond, omdat ze niet weten of er ooit nog zo een zal komen en omdat het veel te warm is om naar bed te gaan. In ons huis is alles donker. We hopen de koorts van Marion weg te kunnen slapen, maar de lakens plakken en de spanning van een in de verte naderend onweer heeft zich in alle kieren van ons wezen genesteld. Het begon op maandag. Op die dag overhandigden we het boek 'Een royaal gebaar' aan mevrouw Verdonk. Het moest ergens naartoe en naar de koningin voor wie het allemaal bedoeld was mocht het niet. "Kunnen we het dan in ieder geval even bij de kanselarij afgeven?" vroeg Marion aan een woordvoerder van de rijksvoorlichtingsdienst. "Zodat ik weet dat ik mijn taak heb volbracht en het klemmend verzoek van zoveel mensen heb afgeleverd." De man kon zelfs niet zeggen of ze het boek aan de koningin zouden geven. Eerst lezen ze het en beoordelen dan wat ze aan onze koningin door zullen geven. "We kunnen u natuurlijk niet tegenhouden als u het af komt geven," zei de man, "maar u kunt het toch ook gewoon per post versturen." Dan moest het maar naar de minister, zoals onze premier ons streng had voorgehouden. Iemand moest het tenslotte in ontvangst nemen. Het is echter een ongelijke strijd. Pas op het laatste moment geeft het ministerie door of en wanneer het plaats kan vinden, men plant het op een onmogelijk moment - negen uur maandagsmorgens als alle journalisten nog ergens in een file staan - en men doet ook moeilijk over uitnodigen van de pers. Het is dat we daar zelf achterheen gingen anders zou er niemand bij aanwezig geweest zijn. Marion houdt een gepassioneerd pleidooi en vraagt of voor de asielzoekers bepaalde zeer vervelende uitkomsten van het beleid de minister misschien toch ontgaan. Mevrouw Verdonk zegt daarop dat zij de minister is en uiteindelijk bepaalt wat er gebeurt. Ik krijg ook vijf minuten om iets te zeggen en wil uitleggen hoe schadelijk het is voor de gezondheid van mensen ze zo onzeker te maken, zo te kleineren en vaak gewoon maar op straat te zetten zonder toegang tot een beetje steun. En dan hun kinderen, die vaak alleen maar Nederlands spreken. Waarom moeten die twee weken voor het eindexamen van school worden gehaald om opgesloten te worden in een uitzendcentrum en gestuurd te worden naar een land waar ze nog nooit zijn geweest? Maar als ik in de ogen van de minister kijk zie ik dat het vergeefse moeite is en maak mijn betoog niet eens af. Marion en ik beseffen ongeveer tegelijkertijd dat we dromers zijn geweest door te geloven dat als je iemand maar op z'n menselijkheid aan kunt spreken, die persoon niet onmenselijk zal blijven. Het kan wel. De verveelde ambtenaren van de minister die links en rechts van haar zitten kijken alle kanten op en volgen het gesprek niet eens. De persvoorlichter van de minister vindt het lastig dat we steeds heftiger proberen te tonen hoe vreselijk het is wat de asielzoekers mee moeten maken. Hij zegt dringend: "De pers moet ook wat vragen kunnen stellen. Zullen we daar nu toe over gaan?" Alsof de media gekomen zijn voor de geprefabriceerde praatjes van de politicus die met onjuistheden en halve waarheden nog wat politiek gewin denkt te halen. Die zien veel liever de confrontatie tussen de verontruste burgers en de machthebbers uit Den Haag. Na afloop vertelt Marion aan een journalist dat ze niet gedacht had dat het zo erg zou zijn. "Geen enkele bereidheid zich te verdiepen in het leed van die mensen. Ik word er doodziek van," zegt ze. Ze redt het nog tot 's avonds na de presentatie van het boek in het Verzetsmuseum in Amsterdam. Onderweg naar huis, op de achterbank van de auto, ligt ze te klappertanden. Als we 's nachts thuis de koorts opnemen laat de termometer zien dat ze negenendertig en een half heeft. Alle verontrustende verschijnselen van de afgelopen weken heeft ze genegeerd. Er was geen tijd. Er was iets belangrijker te doen. De volgende dag in het ziekenhuis wil de arts haar opnemen. Ik zie Marion verstijven. Haar ogen worden wijd. Haar neusvleugels trillen. "Dat hoeft niet," zegt ze en we gaan naar huis terug. De koorts blijft en ze droomt voortdurend over mensen die ze moet overreden om toch vooral een generaal pardon aan die asielzoekers te verlenen. Het boek mag dan af zijn, maar die vluchtelingen zijn nog steeds niet geholpen. Elke dag bellen mensen vanuit het hele land op om met ons te delen wat er gebeurt en hoe onverdraaglijk het is te zien dat telkens weer de meest basale mensenrechten worden geschonden. Iedereen die ziet wat er werkelijk gebeurt voelt zich machteloos, maar probeer daar de kamerleden die het beleid van de minister moeten controleren maar eens van te overtuigen. Marion's koorts gaat er niet van over. Het abces dat ze blijkt te hebben doet haar af en toe ineen krimpen van de pijn. "Zie je wel," zegt ze. "Daarom moest het verzoek naar de koningin. Zo'n vraag stellen aan politici is zinloos. Die zijn niet met menselijkheid bezig." Terug |