| Week 21 Naïma moest vanmorgen even bijkomen, want ze lag nog diep te slapen toen haar wekker ging. Om de trein op tijd te halen had ze moeten rennen en ze was er moe van. Nog even geen zin om te gaan schoon maken. Ze zat aan de keukentafel en bij een kopje thee vroeg ze of ik nu vandaag of gisteren jarig was. "Vandaag," zei ik. "Gefeliciteerd," zei ze. "Maar ik heb geen cadeautje." We dronken een tweede kopje thee. Volgens Naïma zijn wij geslaagd voor het examen thee zetten. Dat doen we goed, zegt ze, niet zoals andere Hollanders. Het water even goed door laten koken en geen zakjes gebruiken. "Lekker," verzucht ze als ze onze thee drinkt. "Hoe oud geworden?" vroeg ze. "Vijfenvijftig," antwoordde ik. "Oud hè." "Nee niet oud," protesteerde ze. "Voor een man vijfenvijftig niet oud. Voor een vrouw wel. Jij sterk. Gezond. Altijd sport." Naïma kan het weten, want ze is vier keer getrouwd geweest, waarvan twee keer met de zelfde man. Zij begrijpt waarschijnlijk het een en ander van mannen dat mij ontgaat. Haar dochter met wie ze samen woont, wil het overigens anders gaan doen dan haar moeder. Liever zonder man, want een Hollandse man is onmogelijk en een Marokkaanse man zal haar geen vrijheid gunnen. Maar de dochter wordt dan misschien wel nooit zo wijs als haar moeder. Er is een tijd geweest, zo rond mijn achttiende, dat ik stoer zei dat ik nooit ouder dan vijftig wilde worden. Ik zou heftig leven en daaraan in stijl opbranden. Daarna leek het leven me reuze saai worden en als je niet al vanzelf door alcohol, drugs, venerische ziekten of snelle en gevaarlijke sporten aan je einde gekomen was, moest je tenminste de moed hebben er zelf een einde aan te maken. Het was natuurlijk de pathetische aanstellerij van iemand die nog geen behoorlijke verhaallijn in zijn leven had weten te brengen. Iets met dood doet het altijd goed als je een meisje wilde versieren, want de dood is het enige drama in een mensenleven. Wat had ik anders moeten vertellen? Dat mijn grootmoeder en grootvader overleden waren? Nou en? Mijn eerste herinnering aan de dood is die van het jongetje uit de vierde flat. Hij was even oud als ik, zes jaar. In die tijd konden kinderen nog gewoon buiten spelen. Vanaf het balkon hoorde ik een klap. Beneden zag ik een stilstaande vrachtauto en mensen die snel toeliepen. Dat mocht ik niet missen en ik rende de trappen af. De banden van de vrachtauto waren even groot als de jongen en hij lag er zo vreemd onder. Bloed uit zijn oor en ik voelde een soort misselijkheid. Ik ben snel terug gegaan naar het veilige balkon. Ik zou niet weten hoe je zo'n herinnering in de stoere monologen van een achttienjarige versierder moet verwerken. Mijn vader is drieënzestig jaar oud geworden. Ik heb altijd gedacht dat ik het wel van hem zou winnen. Hij reed zelfs met zijn auto naar de brievenbus die op de hoek van onze straat te vinden was en vertelde altijd trots dat hij wat minder rookte. Logisch toch dat hij de hart- en bloedvatziekten niet kon ontlopen. Mij zou dat niet overkomen. Elk jaar als me gevraagd wordt wat ik met mijn verjaardag wil doen, zeg ik dat we het maar over moeten slaan. Geen gedoe. Maar dit jaar was het anders en ik besef dat verjaardagen heel leuk zijn. Er komen allemaal mensen op bezoek die willen laten merken dat ze van je houden. Vrienden bellen voor het eerst in alle jaren dat ik ze ken op om me even te feliciteren vanuit de verre plekken waar ze voor hun werk moeten zijn. Alles om me heen wil me iets duidelijk maken. De rododendrons hebben zelfs vandaag hun rode en paarse vlaggen uitgehangen. Ook die waar ik zo bezorgd over ben geweest flashte vanmorgen vroeg verlegen een prille bloem. Ik wist dat die speciaal voor mij was. En de andere struiken waarvan allerminst duidelijk was dat ze de overplanting zouden overleven hadden jonge lichtgroene bladeren gekregen die stoer omhoog stonden. Als een middenvinger. Fuck you. We zijn er nog en zijn voorlopig nog niet van plan er mee op te houden. Terug |