| Week 33 -2005 De hemel is grauw van de as van de bosbranden. Er vallen zwarte vlokken. Een vuurrode zon, die bijna niet te zien is, hangt ver weg in een grijze lucht. Er klinken sirenes van brandweerauto's en in de files worden we regelmatig gepasseerd door felrode snel rijdende auto's op weg naar een oncontroleerbare dreiging. Als we in Arouca aankomen vertelt de vrouw bij wijze van begroeting dat vandaag een deel van het dorp geëvacueerd werd, maar intussen weer terug is gekomen. "Hier komt het vuur niet," zegt Claudia en ze weet zeker dat ons niets zal overkomen. Zoals elke kankerpatiënt ervan overtuigd is dat wel de anderen maar hij niet aan de ziekte zal overlijden. Het hart en het verstand weten verschillende dingen. In het vliegtuig heb ik 'Ongeneeslijk optimistisch' van Karel Glastra van Loon gelezen. Als Marion me vraagt hoe het is, zeg ik: "Lees zelf maar." Nog tijdens dezelfde vlucht krijgt Marion het boek uit, maar ik heb nog altijd geen behoefte het er over te hebben. Het is een spiegel en over wat ik in de spiegel zie praat ik liever niet. In het boek herkende ik de geheimen over hoe je moet overleven als kankerpatiënt. Die wil ik graag geheim houden. "Het mooiste vond ik het deel waarin hij vol overtuiging schrijft - op het moment dat hij nog drie maanden zal leven - dat hij een afspraak maakt om in het najaar in Ann Arbour te komen les geven," zeg ik. "Via de e-mail. Met iemand, die hem niet ziet en waarschijnlijk geen idee heeft hoe het met hem is." Het is het enige dat ik over het boek kwijt wil. Op Schiphol kwam ik in gesprek met een man die me vroeg waar ik in Portugal naartoe ging. "Geen idee," zei ik. "Ergens in of in de buurt van Porto." De man moest erom lachen. In zijn ogen moest ik een dwaas zijn, die niet eens zijn best had gedaan goed uit te vinden wat zijn reisdoel is. Het minste wat ik wel had kunnen doen was uitvinden of het om de streek gaat waar de grootste bosbranden die Portugal ooit heeft meegemaakt woeden. Als ik in Porto door de schuifdeuren van de aankomsthal loop, hoor ik twee kinderstemmetjes 'Ivan' roepen. Dat is waar ik naartoe ga: naar Kaja, Elle, David en Feline. Ik zal achter hun auto aanrijden naar de plaats waar zij verblijven. Eigenlijk is het onbelangrijk waar dat is. Het zou in Zierikzee, het Zwarte Woud of in Zimbabwe mogen zijn. We stoppen uiteindelijk bij een tot hotel verbouwd landhuis. Claudia, die er het management doet, geeft daarnaast les in ecotoerisme op wat zij noemt de toerisme-universiteit. Het betekent niet goed slapen omdat er geen air-conditioning is, gewekt worden door de hanen en de hond en gestoken worden door muggen of een soms langs komende wesp. Maar het geeft niet omdat we met zijn zessen tennissen, zeeroverbootje in het zwembad spelen, de hele dag door liedjes rijmen met de kinderen en bijna elke avond een tekening van Feline krijgen. Andere gasten zijn er niet. Niemand anders wil gelukkig gelukkig zijn waar wij gelukkig zijn. Soms stappen we in de auto en rijden naar steden met prachtige namen - Aveiro, Braga, Guimaeres, klanken uit een gedicht dat ik niet goed begrijp - waar van alles te zien is dat ik wil fotograferen. Dan pas ontdek ik hoe ver Arouca van alles verwijderd is. In de kerken stellen David en Feline moeilijke vragen. "Waarom moest Jezus dood van zijn vader?" vraagt Feline. Het is voor haar onvoorstelbaar dat een vader wil dat zijn kind sterft. "Kan jij dat uitleggen?" vraagt Elle. Daar zijn opa's voor. Ik zeg dat alles een groot verhaal is waarin we proberen duidelijk te maken dat het leven zo mooi is, dat het altijd maar doorgaat en dat de dood daarom eigenlijk niet belangrijk is. Een kleine stap. Dat weet God, maar Jezus nog niet. Want we willen kunnen geloven dat alles zin heeft, al ons lijden, zelfs de dood. De enige die verdwijnt is één mens, maar daarna wordt er altijd weer een nieuwe geboren, die leert om gedichten te maken en die kan tekenen. "Ja," zegt Feline geduldig als ik uitgesproken ben, "maar waarom moest Jezus nou dood van God?" Aan het einde van de week begint het ineens licht te regenen. Claudia zegt met een bittere klank in haar stem 'Te laat'. Het is niet te plannen. De gebeurtenissen in ons leven komen soms te vroeg en soms te laat. In de regen gaan we Porto bekijken. Voorop lopen Kaja en ik. Dan volgen Marion, David en Feline. Elle loopt wat langzamer, want die is in de laatste maand van haar zwangerschap en alles wordt een beetje moeizamer. Vanwege de regen zijn we vaak in winkels en kijken naar kleertjes voor de nieuwe baby. Af en toe is een van ons even weg om bij de kassa iets af te rekenen, dat later als verrassing in het theehuis als cadeautje wordt gegeven. Ik heb een lichtgroen vestje gekocht. "Maat vierenvijftig," fluistert Marion me toe als ze door heeft wat ik aan het doen ben. Het heeft precies dezelfde kleur als de trui die ik van Kaja heb gekregen. Ik kan de baby in september rustig op schoot nemen. Wij zullen bij elkaar passen. Voor David en Feline kopen we nieuwe schoenen en in die zelfde winkel ziet Kaja een paar baby Nikes. Hij kan zijn ogen er niet vanaf houden en besluit ze uiteindelijk te kopen. Maat zeventien. Ik wist niet dat het bestond. Later in dat theehuis haalt Kaja de doos te voorschijn, als een ongeduldig kind in het ouderlijk huis op zoek naar sinterklaascadeautjes. Hij neemt de zilverkleurige sportschoentje eruit. Hij zet ze op de wijsvingers van zijn twee handen en stelt zich al voor hoe er twee voetjes in zitten die oefenen met lopen. Zijn blik is tien keer zo mooi als toen ik na al die jaren dat hij tevergeefs om een speelgoedpistool had gevraagd, hem uiteindelijk het oude alarmpistool gaf dat van mijn vader was geweest. Ineens wilde mijn vader een pistool dat er echt uit zag, voor in de auto als hij eens overvallen zou worden en zijn gezin zou moeten beschermen. We rijden terug. De kinderen zitten bij Marion en mij in de auto. Kaja rijdt voorop. Wij volgen hem. Als hij maar niet te snel rijdt, goed oplet in de haarspeldbochten waar de muurtjes zijn verdwenen. Boven op de bergen zien we de nog na smeulende zwarte velden en bossen, waar de bewoners van de kleine dorpen langzaam weer terugkeren om te zien wat er van hun bezittingen over is gebleven. De manier waarop Kaja naar de schoentjes keek bleef die nacht in me en ik droomde dat alles hem tegen zat en dat ik hem niet kon beschermen. Ik wist niet hoe ik hem moest helpen en ik werd huilend wakker omdat ik tekort schoot. Misschien hoef ik dat ook niet te doen. Zijn kind zal hem helpen door vragen te stellen waarop hij geen antwoord weet. Terug |