| Week 38 -2005 Onderweg van Rome naar het vliegveld keek ik vanachter mijn zonnebril vol verbazing naar de taxichauffeur. Het begon nog in de stad zelf. Hij toetste een telefoonnummer in en sprak langdurig met een vrouw. In de winkels van de Italiaanse hoofdstad had ik de verkoopsters gezien die lang niet altijd de kans hebben je behoorlijk te helpen omdat ze net met een belangrijk telefoongesprek bezig zijn. Nu begreep ik hoe het zat. Nadat hij de verbinding verbroken had belde de chauffeur het volgende nummer. Zo ging het door tot er uiteindelijk met de vierde vrouw die hij sprak een afspraak te maken viel. Tijdens het rijden haalde hij uit het dashboardkastje zijn werkschema en agenda om te kijken of hij kon. "Domani alla otto," hoorde ik hem zeggen en hij noemde de naam van een bar, waarna hij het in zijn agenda noteerde. Volgens mij is iedereen in Rome voortdurend met de liefde bezig. Of beter: ze zijn altijd elkaar het hof aan het maken. De latin lover is niet zo populair omdat hij graag neukt, want daarin onderscheidt hij zich niet van mannen met andere nationaliteiten. Nee, ze zorgen ervoor dat vrouwen zich mooi en belangrijk voelen. Het zou me niet verbazen als het Ministerie voor Toerisme cursussen gaf aan werkeloze Italiaanse mannen om in de stad tegen lantaarnpalen op te knallen omdat ze naar een langslopende vrouw kijken. Dit alles om de mythe van de latin lover in stand te houden. Daarom heeft Italië natuurlijk ook zo'n geweldige traditie in liefdespoëzie en een enorme kledingindustrie. Voor de liefde zul je er altijd leuk uit moeten zien. Winkelen is dan ook een essentieel onderdeel van het Italiaanse leven. Het is vast ook een van de redenen dat zo veel mensen zich ertoe aangetrokken voelen, want winkelen en eten is wat de consumerende mens op de been houdt. Ik had het andersom gedaan. Eerst gegeten en daarna een kledingzaak binnen gelopen. Door de wijn vond ik het leven fantastisch en wat kon het me allemaal ook schelen. Voor veel te veel geld kocht ik een pak van Zegna. Deze week zal ik opa worden en misschien zijn de spijkerbroeken en T-shirts eindelijk voorbij. Mijn kleindochter heeft recht op een grootvader met een mooi nieuw kostuum. Bij een stoplicht kwam naast de taxi een grote kawasakimotor staan. Er zat een man op in een keurig pak. Ik kon zijn leeftijd niet inschatten omdat hij een helm droeg, maar het haar dat daar onderuit golfde deed me vermoeden dat hij mijn leeftijd moest hebben: grijs. Hij droeg strakke lichtbruine glacéhandschoenen en schoenen die daar bij kleurden. Dat zou ik ook wel willen. Ik had tenslotte een pak en een motorrijbewijs. Zit dat er voor mij nog in? En wie zou ik dan achterop willen? Alleen is maar alleen. Marion wil het niet. Eén keer kwam er in Colombo een hond onder een auto uit die onder het voorwiel van mijn motor stapte, waardoor Marion over me heen vloog en vingers brak. Een tweede keer, in Legian, kwam er een brommer uit een steeg, die tegen ons aan reed waardoor we omvielen en de uitlaat tegen haar been kwam. Nee, zij zal nooit meer bij mij achterop de motor stappen. In Nederland aangekomen moest ik Kaja en Elle helpen. Ze gingen naar het ziekenhuis voor de bevalling en Marion en ik zouden op de kinderen letten. Omdat Marion, nerveus dat ze de terugreis verkeerd zou boeken en te laat komen, dat natuurlijk juist gedaan had, had ze één van onze tickets opnieuw moeten bestellen. Op het vliegveld gekomen bleek dat ze dat van de zenuwen ook niet goed had gedaan. Over het veranderen van internettickets valt niet te onderhandelen met de meisjes van de KLM en daarom kocht ik ter plekke een derde ticket. Onze kleindochter is wel iets waard. Al had ik dertig keer de reis moeten betalen, ik had er geen slecht humeur door gekregen. David moest naar hockey en Feline naar turnen. De route er naartoe was me uitgebreid beschreven, maar ik was niet helemaal voorbereid op alle complicaties. Bitjes die nodig blijken te zijn bij het hockeyspel konden we niet vinden. Dat je een turnpakje mee moet nemen naar turnen besefte ik niet. Alle ritjes moest ik dus een paar keer doen. Marion kwam op tijd om te helpen bij het voorlezen en naar bed brengen. Toen hij het huis verliet was Kaja bleek en gespannen. Hij droeg het mandje waarin de baby als ze het ziekenhuis weer verlaten vervoerd moet worden. Een maxicosi wordt dat geloof ik door ervaren ouders genoemd. Het leven zou nu echt voor hem beginnen. In 1973, vlak nadat Kaja geboren was zag ik op het nieuws de reportage over het laatste vliegtuig uit Danang. Nachten lang droomde ik over de beelden die ik gezien had. Vietnamezen die het Zuiden gesteund hadden probeerden te vluchten voor de Vietcong troepen die van alle kanten de stad omsingelden. Ze vochten zich een weg het vliegtuig in. Vrouwen en kinderen werden weggeduwd door mannen. Ze sloegen elkaar en dreigden met hun pistool. Sommige mensen probeerden zich aan het landingsgestel vast te klampen, maar stortten naar beneden. Het vliegtuig vertrok en Danang viel. Elke nacht werd ik in paniek uit mijn dromen wakker. Dat zou ik nooit kunnen. Mijn vrouw en zoon beschermen om veilig in het laatste vliegtuig te komen. De vrouw baart het kind en de vader beschermt ze tegen alles, maar ik wist dat ik ze nooit overal voor zou kunnen behoeden. Er zou pijn en verdriet komen en ik was bang te falen. Kaja mocht dan een handige maxicosi hebben, maar in zijn ogen meende ik te zien dat hij ook ineens vader aan het worden was. Hoeder van het genetische materiaal dat hij van zijn voorouders had gekregen en dat hij aan volgende generaties door moest geven. Op de vijftiende werd mijn kleindochter geboren: Helena Elisabeth Bloem Wolffers. Het was zelfs op het ANP-nieuws, iets dat me wel verbaasde omdat ze nog niets in haar leven had gedaan en ze heette niet Amalia. Nee, haar naam is Helena en nadat ik David en Feline van school gehaald had om ze bij hun zusje te brengen en vervolgens weer terug reed, vertelde ik het verhaal van de oorlog om Troje. Het moet niet gemakkelijk voor haar geweest zijn om de mooiste van de wereld te zijn. Misschien overdreef ik wat door te vertellen dat het nooit meer goed gekomen was tussen de Turken - Troje lag immers op de Turkse kust - en de Grieken - Helena was getrouwd met een Griekse vorst voor ze op Paris die haar naar Troje meenam verliefd werd - en dat ze nog steeds ruzie maakten, tegenwoordig over Cyprus. "Echt?" vroeg David. "Nou ja,"antwoordde ik. "Het had gekund." Om het verhaal een goed einde te geven ging ik met Vergilius verder waar Homerus gestopt was. Na de val van Troje wist Helena met Paris te ontkomen naar Rome, waar ze nog lang en gelukkig leefden. Op een mooie aprildag als Helena zestien of zeventien is trek ik mijn pak aan, neem haar achter op de motor en rij door Rome om haar de stad te laten zien. Dan ga ik alles uitleggen over de kunst van het hof maken en welke mannen wel betrouwbaar zijn en welke je niet moet geloven. Terug |