Week 39 -2005
Als Elle en Kaja met in hun mandje Helena het ziekenhuis verlaten, komt er ineens een fotograaf te voorschijn, die een foto maakt. Hoe lang zou zo'n man daar hebben gewacht en wat kan hij voor zijn werk vragen om de tijdsinvestering rendabel te maken? Elle zoekt een beetje beschutting bij Kaja, die onhandig naar de man lacht. In zijn rechterhand heeft hij de maxicosi. Ik denk dat het zo heet, maar ben nog geen professionele opa. Mijn zoons sterke biceps is gespannen. Net onder zijn shirt is een deel van zijn tatoeage te zien. Het is een jachttrofee. Met één schot drie mensen op een foto. Getroffen in hun dagelijkse gewoonheid. Hun kwetsbaarheid blootgelegd.
We voegen de foto bij de vele andere die al in het korte leven van onze kleindochter zijn gemaakt. Met plezier sturen we ze de hele wereld rond. Dit is Helena. Ze is van zichzelf en een beetje van ons. De bovenlip van Kaja, de ogen van Marion, de wangen van Elle en misschien is er volgens Marion iets van de onderlip van mij. Ik moet toegeven dat ik het allemaal niet zo goed zie en in ieder geval herken ik niets in de onderlip. Het lijkt me een troostprijs. "Als ze mijn goede karakter maar heeft," grap ik, "dan zullen jullie in elk geval nog veel plezier van haar hebben."
In Amerika is één op de tien vaders niet ook degene die het kind gemaakt heeft. In Europa zou dat één op de twintig zijn. Echte vader onbekend. Misschien dat de moeder het zich nog herinnert, maar de veronderstelde verwekker weet er niets van en denkt dat het zijn vlees en bloed is. De natuur is goed. We houden van baby's en voelen ons onmiddellijk verantwoordelijk voor hun welzijn. Ook de onechte vaders die niet weten dat ze onecht zijn willen ze graag opvoeden. Misschien is het daarom dat iedereen die een foto van Helena ziet onmiddellijk vindt dat het kind op ze lijkt. Zelfs mensen die in de verste verte geen familie zijn zeggen enthousiast dat ze "er precies uitziet zoals hun Anna toen die geboren werd". Daarom ben ik maar tevreden met de onderlip die mij officieel toegewezen is.
Oma mag haar het vaakst op de arm nemen. Zeker de oma waarmee ik getrouwd ben en die volgens een journalist die een verhaal over Amsterdam schreef dat in het Amerikaanse webmagazine Slate verscheen, een "smoking hot 53" is. Ik ben blij dat hij mij niet omschrijft als een "boring grey 57". Je weet het niet met die Amerikaanse journalisten die vaak hun echte vader helemaal niet kennen. Soms mag ik ook een paar minuutjes Helena vast houden. Ze voelt anders dan Kaja ooit voelde. Dat komt omdat ik zelf veranderd ben, alle onnozelheid verloren heb en inmiddels weet wat er allemaal gebeuren kan. Met twee vingers tast ik voorzichtig langs Helena's schedel en voel de fontanel, die daar open en bloot ligt en die we met z'n allen moeten beschermen. Haar nekje kan de last van haar hoofd nog niet dragen en voortdurend moet ik het voorzichtig met mijn hand ondersteunen. De handjes grijpen nog niet echt. De vingertjes zijn lang en dun. Luciferhoutjes zijn steviger. Als je te hard grijpt zou je ze zo kapot kunnen maken. Als haar oogjes open zijn zien ze niets, ook het gevaar niet dat ons omringt. Mooie voetjes, maar de tweede teen is veel langer dan de grote. In Marion's familie geldt dat als onomstotelijk bewijs voor een jaloerse aard. We proberen nog wat aan de grote teen te trekken om het euvel te verhelpen, maar het is vergeefs. Alle pijn die dit kleine meisje nog zal moeten meemaken. Ik moet er niet aan denken. "Worden die lachstuipjes veroorzaakt door pijn?" informeert Marion. Ik leg uit dat kinderen als ze nog zo jong zijn een onontwikkeld zenuwstelsel hebben en dat ze allemaal zulke bewegingen maken.
Kaja regelt intussen het leven van een jong gezin. De andere twee kinderen moeten hun bordje leegeten. Een werknemer van Albert Hein brengt de boodschappen voor het weekend en Kaja rent de trap af. Als hij met dozen in zijn armen weer boven komt zie ik hem naar Helena kijken. Zijn verliefde ogen zien gelukkig geen enkele dreiging. Hun geluk zal eeuwig zijn en moeilijkheden zijn er alleen in theorie. Ik zou een beetje willen huilen van vreugde omdat ik zijn geluk mag zien, maar ook om de ongerustheid die niet te onderdrukken valt en vanuit mijn ingewanden zich telkens aandient. Want in alles wat jong en mooi is zie ik de eindigheid al. Daar wil ik niet aan denken, maar ik ben de onschuld kwijt. O god of o lot - het geeft niet hoe we het noemen, of het gestuurd wordt of per ongeluk gaat -, laat dit geluk toch eeuwig zijn. Ik heb geleerd dat geluk oneindig lijkt tot iemand je op een dag vertelt dat het helemaal niet waar is en dat je een ongeneeslijke ziekte hebt. Daarna heb ik me steeds afgevraagd of er voor iedereen een vaste hoeveelheid geluk is. Als dat zo is, hoop ik dat de kanker die me bedeeld werd genoeg is om de anderen te behoeden voor tegenslag. En als het niet genoeg is, dan ga ik ermee akkoord als bij de volgende controle van de dokter mijn PSA weer is gestegen. Ik wil zelfs die rotmedicijnen wel weer gaan slikken. Valt er ook nog wat te onderhandelen? Dat ik Helena nog mag zien fietsen bij ons op het tuinpad? Dat ik haar nog kan vertellen dat de juf op school er niets van heeft begrepen en dat ik het haar wel even allemaal uit zal leggen? Dat ik haar nog kan zien als ze veertien is of ze echt niet op een of andere wijze toch ook een beetje meer op mij lijkt dan iets dat we gemeen hebben in de onderlip? Ik heb daarop nieuwe hoop, sinds gedurende de babyshower alle overgrootmoedes denken dat Helena mijn blauwe ogen gaat krijgen.



Terug