| Week 42 -2005 Van de week overleed op zesendertigjarige leeftijd LeRoy Whitfield. LeRoy was schrijver en hij zette aids bij zwarte Amerikanen op de kaart. De 'Marathon man', zo noemde hij zichzelf omdat hij al vijftien jaar met hiv geïnfecteerd was, maar nog altijd leefde. Hij behoorde tot de zeldzame long-time survivors en artsen van de Harvard Medical School onderzochten hem daarom om erachter te komen wat zijn geheim was. LeRoy Whitfield weigerde medicijnen te slikken want hij was beducht voor de bijwerkingen. Omdat hij het symbool was geworden van de koppige man die medicijnen weigert en toch blijft leven, kon hij niet anders meer. Toen hij vorig jaar plotseling erg achteruit ging schreef hij "Ik heb al zo lang gepleit tegen het gebruik van aids-medicijnen, dat nu mijn bloeduitslagen tegen zitten, ik er niet meer mee kan stoppen." Stommerd. Er zijn toch effectieve medicijnen tegen hiv en aids. Als hij die geslikt had, was hij nu nog in leven. Hoe kun je nu op je zesendertigste beslissen dat je liever dood gaat? Whitfield had nog heel lang kunnen schrijven. En ik? De klok tikt. Op dinsdag ben ik in het ziekenhuis geweest om bloed te laten prikken. De boodschap in mijn bloed ligt over twee weken in de map van mijn uroloog. Hij zal hem aan me doorgeven en dan moet ik beslissen. Slikken of weigeren omdat ik niet wil leven met de man die ik door de behandeling word? Bijna een jaar ben ik weer wie ik was voor ik prostaatkanker kreeg. Ik kan me de anderhalf jaar daarvoor toen ik de castrerende chemicaliën slikte niet meer helder herinneren. Mijn geheugen laat me wat dat betreft vreemd genoeg in de steek. De opgefokt positieve man die krampachtig probeert te geloven dat het wel meevalt en alles in orde is wedijvert met de donkere momenten die ik het liefst wil vergeten. Dat de lust verloren ging was niet het allerergste. Al het andere dat met de hormonen verdween maakte me echter een ander. Ineens miste ik kracht en vechtlust. De autorit naar Antwerpen. Ik zit achter het stuur. Er blijkt een lange file te staan. We krijgen woorden over wiens schuld het is dat we te laat gaan komen. Marion omdat we niet op tijd vertrokken zijn of ik omdat ik deze route gekozen heb. Als een puber met te veel zelfmdelijden begin ik te huilen en kan niet meer stoppen. Ik voel de wanhoop bij Marion die niet eens meer behoorlijk ruzie met me kan maken omdat ik een tere ziel ontwikkeld heb en daardoor niet meer gelijkwaardig ben: iemand die je moet ontzien. Ik herinner me een fietstocht. Rusteloos, allerlei paden in, schijnbaar zonder doel. Ik rij achter haar aan. Ze heeft me twee keer verteld dat haar vrienden haar zeggen dat we in therapie moeten en dat ze ervoor moet zorgen zichzelf te blijven. Zich niet aan moet passen. Bij elk nieuw pad dat ze inslaat lijkt het of ze probeert te vluchten voor de situatie waar we samen in beland zijn. Tot we uiteindelijk meer dan honderd kilometer gereden hebben, ergens gaan eten en een glas wijn drinken alsof het allemaal doodgewoon is dat we zoveel fietsen zonder doel. Dat was het ergste: niet het seksuele, maar dat de eunuch die ik werd ook een heel andere man was. Zelf kon ik er nog wel mee leven, maar de blik in haar ogen omdat ze naar mijn oude ik terugverlangde was onverdraagbaar. Een paar keer besloot ik heel flink dat als ik ooit die medicijnen weer zou moeten slikken, ik niet meer met haar wilde leven. Dat ik dan bij haar weg ga en ergens in mijn eentje zal wonen. Zij is immers vierendertig jaar met iemand anders getrouwd geweest. Niet met de man zonder hormonen. Dus als het weer moet, dan liever helemaal alleen. Maar ik kon me geen leven voorstellen zonder haar. Ik ben wie ik ben door met haar te leven. Er bestaat geen andere definitie van Ivan. Natuurlijk zijn er momenten in ons leven geweest dat ik overwoog op te stappen, dat ik het misschien zelfs wel had moeten doen als ik een beetje gevoel voor zelfwaarde had gehad. Maar ik kon het niet. Ik houd van haar en ik wil geen ander leven. Er bestaat geen andere Ivan dan die met Marion. Verdwijnt die man als ik weer de medicijnen ga slikken? Moeten Marion en ik verder met die impotente huilebalk, die nergens meer tegen kan? Misschien is de geboorte van ons kleinkind wel het juiste moment om nieuwe levens te beginnen. Marion heeft besloten Helena vaak op te zoeken. Altijd hebben we het met één auto gered, maar nu moet ze een eigen auto hebben omdat ze, als het spontaan bij haar op komt, onmiddellijk naar Haarlem wil kunnen rijden. Op zaterdagochtend stel ik voor dat we dan een autodealer moeten bezoeken en 's middags koopt ze een cabriolet. Ze weet er inmiddels meer over dan ik, die ooit op mijn tiende dinkey toys verzamelde, aan kennis heb. PK's, aantal cylinders, windscherm, hard top en soft top. Zou die BMW mijn rol een beetje kunnen overnemen? Haar dat brengen wat mij niet meer lukt als ik weer ga slikken? Met Helena gaan we de dag daarna naar het dierenpark. Als oma claimt Marion het recht om de kinderwagen voort te duwen. Kaja en Elle lopen met David. Feline en ik blijven wat achter omdat we wat langer bij de kooien blijven staan. De grote drollen van de olifanten. De Siberische tijger die nergens meer zin in heeft. Misschien slikt hij ook wel iets tegen prostaatkanker. De chimpansees, waar we erg lang naar blijven kijken. Er staat een grote glijbaan in hun hok. Feline wil graag zien dat ze ervan af gaan. Daarom wachten we. Ik leg uit dat aapjes dat natuurlijk niet bewust doen. Misschien per ongeluk. Een glijbaan is voor kinderen. "Misschien slapen ze erop," veronderstelt Feline. "Dan beginnen ze 's avonds bovenaan en worden ze 's morgens onderaan wakker," antwoord ik. Op een gegeven moment zijn er drie kleine chimpansees die elkaar achterna zitten en die op de glijbaan terecht komen. In hun spel is de glijbaan gewoon een hindernis, niet om te glijden, maar om zich ondanks alles staande te houden. Ademloos kijkt Feline naar de drie dieren. In de kooi zitten ook drie stellen oudere apen die helemaal in elkaar opgaan. Ongelooflijke intimiteit. Die trekken mijn aandacht nog meer. Mijn mobiele telefoon gaat. "We zijn al bij de uitgang," zegt Marion. "We moeten gaan," leg ik aan Feline uit. "Kunnen we nog heel even kijken?" vraagt ze. "Goed," zeg ik en richt mijn blik als een voyeur die niet anders kan weer op die liefkozende apen. Thuis aan de eettafel vertel ik Marion over de chimpansees. Hoe ze gewillig een arm omhoog brengen en over hun hoofd heen leggen. Weerloos worden ze. Het is een gebaar van volledige overgave. Je kunt niet meer afweren, wegduwen of een klap geven. Alleen maar volledig vertrouwen. En de andere chimpansee gaat teder met zijn lippen langs het lichaam - in vlakte van oksels, langs de welvingen van tepels - om de vlooien op te sporen. Ze zijn in elkaar verdwenen en zien eruit als een dier met aan de voorzijde en aan de achterzijde een rug. De rest van de wereld bestaat niet meer. Marion lacht. "Mijn lieve aapje," zegt ze. "Kom je te kort?" Terug |