| Week 22 De laatste tijd heb ik last van het nu-of-nooit syndroom en doe alles wat ik nog van plan was voor het te laat is, want je weet maar nooit. Daardoor zijn rond het huis allerlei mannen bezig om te maken wat er nog ontbrak aan het aards paradijs. Op goede vrijdag waren de twee mannen die het terras op het dak moesten aanleggen gekomen, maar natuurlijk is dat in ons land een officiële vrije dag. Ik vermoed dat de echtgenote van een van de twee mannen tegen hem gezegd had: "Als jij zo nodig vandaag moet werken, dan neem je de jongens maar mee. Ik heb er vandaag geen zin in, want ik heb ook recht op een vrije dag." Ze speelden een half uur lang gehoorzaam in de grote bus van hun vader, maar vervolgens gingen ze over tot belletje trekken. Het was duidelijk dat de jongste gewend was aan veel aandacht en dat van de oudste verwacht werd dat hij zijn broertje een beetje in toom hield, maar zoals gebruikelijk in zulke situaties had hij er geen zin in en het lukte hem ook niet. Al enige tijd moest ik een tuinstoel repareren en ik besloot dat onmiddellijk te doen om door mijn aanwezigheid mogelijk erg ondeugende plannen te ontmoedigen. De jongste kwam in mijn buurt spelen en probeerde door het zingen van liedjes mijn aandacht te trekken. Zijn oudere broer keek van enige afstand gegeneerd toe. Het lied dat de jongen me liet horen had hij vast die week op zijn school uit het hoofd moeten leren: "Toen de soldaten bij het graf van Jezus kwamen was onze here opgestaan." Hoewel ik op een lagere school met de bijbel gezeten heb en heel wat liedjes uit het hoofd moest leren, van hijgend hert der jacht ontkomen tot heer, ai maak mij uwe wegen, klonk dit lied eigentijdser en erg strijdbaar. De oudste jongen kroop bijna weg achter de auto van zijn vader, maar hij kon gerust wezen, want evangelisatiepogingen zijn bij mij verloren moeite. Tussen de heer en mij klikt het niet. Te vaak vindt hij wat ik doe niet zo geweldig en ik op mijn beurt vind hem te streng, te meedogenloos. Natuurlijk heb ik ooit vol overgave geprobeerd in hem te geloven, maar toen de dominee zei dat de heer achter hem stond, zag ik hem niet, terwijl de andere kerkgangers hem op een of andere manier wel in beeld hadden. Vanaf dat moment wist ik dat ik niet opgelicht wilde worden en besloot zonder de hulp van mensen die ik toch nooit op mijn verjaardag zou willen hebben, uit te vinden wat mijn eigen route in het leven moest zijn. Omdat ik niet op het gezang reageerde probeerde de oudste jongen zijn broertje seintjes te geven. Ineens stopte de jongen met zijn stichtelijke liederen en vroeg: "Of gelooft u niet in de heer?" Ik wilde hem niet te veel teleurstellen en kwam met een waardeloos antwoord waarmee ik mezelf geen geweld aan deed, hij zijn zin kreeg en ik eigenlijk niets zei. "Mmmmm, ik geloof zo'n beetje in alles," zei ik. Ooit op die school met de bijbel had ik dat al eens als mogelijkheid aan meester Roskam voorgelegd in een poging om de groeiende verwijdering tussen de heer en mij ongedaan te maken. "Als God nou alles is, dan kan hij ook alles, dan zit hij overal in, zelfs in mij en kan hij door mij wonderen verrichten." Ik wist door die gebeurtenis dat een dergelijke veronderstelling die niet uitging van de exclusiviteit van ONZE heer weinig populair was in kerkse kringen. "Dat heet pantheïsme," legde meester Roskam koel uit. "En dat is een heidens geloof." Die jongen van acht kwam daar natuurlijk niet mee op de proppen. In plaats daarvan zei hij vol afgrijzen: "Dus u gelooft ook in Allah?" Ik knikte en heb het later goed proberen te maken door de jongens allebei een krentenbol te geven. Ik moest daarom even goed nadenken toen Marion me vroeg of ik voor mijn verjaardag een Boeddha in de tuin wilde. Ik heb het altijd zonder gered en nu heb ik heus niet in eens extra steun van een stuk steen nodig. Anderzijds weet ze natuurlijk dat ik al sinds mijn tienerjaren de vier boeddhistische geloften in mijn dagboeken heb liggen. Op vervilt papier in het bijna kinderlijk schrift van een jongen die gretig die wereld vol beloften wil bestormen. De eerste: Strijden tegen je kwade neigingen. Dan: Jezelf tot het eind toe wijden aan studie. De derde: Jezelf naar vermogen vervolmaken. En tenslotte: Hoe talrijk de schepselen ook zijn die dwalen in de uitgestrektheid van de drie werelden, werken aan hun redding. Marion wist niet dat het briefje in 2000 niet meer naar het volgende dagboek door schoof en daar was blijven steken. "Je had het over een Boeddha," zei ik na een week denken. "Dat wil ik eigenlijk wel." We kochten het witte beeld ergens in een boerendorp, waar vast iedereen ook oprecht geloofde in de heer van mijn lagere school. De vriendelijke boerenvrouw had dit handeltje in de wat luxere tuinkabouter opgezet om wat haar echtgenoot op de tractor verdiende aan te vullen. Ze legde uit dat de Venus van Milo en de Apollo door Italiaanse betongieters gemaakt waren, maar dat Boeddha werd gemaakt door een paar Tamils in het nabij gelegen stadje. Arme Hindoeïstische Tamils, gevlucht uit hun land vanwege de Boeddhistische Singhalezen. We hebben Boeddha op een mooie plek in de tuin gezet en er wat wierookstokjes bij gebrand. Het is een prettig gevoel dat Boeddha op mijn verjaardag is langsgekomen. Terug |