Week 44 -2005
In het ziekenhuis sluit ik me af. Mijn ogen zijn aan mijn boek vastgekleefd. De andere wachtenden wil ik niet zien. De gewichtig rondlopende co-assistenten roepen geen vertedering bij me op. Laat me over Mao lezen in de biografie van Jung Chang.
Een dame met vet haar in een trainingspak komt naast me zitten. Ze moet ongeveer van mijn leeftijd zijn. Met een Duits accent zegt ze: "Hè, hè, wat moet je hier toch altijd lang wachten."
Ik brom iets om niet onvriendelijk te lijken, maar wil toch een gesprek voorkomen.
"En geen man om met je mee te gaan als je het nodig hebt."
Het lijkt me het verstandigst om op iets andere bromhoogte aan te geven dat ik niet in vervolg van deze eenzijdige conversatie geïnteresseerd ben.
"Allemaal zijn ze weggelopen."
Normale mensen staan op zo'n moment op en gaan ergens anders zitten, maar het idee dat ik die vrouw boven op al het leed dat haar te neer drukt ook nog zou kwetsen staat me tegen. Ik brom echter zelfs niets meer. Gelukkig zwijgt ze verder, hoewel haar diepe zuchten ook duidelijke pogingen tot communicatie lijken.
Plotseling is er veel geschreeuw. Mijn ogen verlaten het Plein van de Hemelse Vrede en gaan omhoog. Daar rennen twee als clowns verklede volwassenen. Onvoorstelbaar dat kinderen dit leuk vinden, hoe ziek ze ook zijn. Het is mijn eerste confrontatie met Cliniclowns. Het lijkt me een samenzwering van de kliniek waar men kampt met personeelstekort en zo wil suggereren dat er genoeg handen aan het bed zijn en ouders met schuldgevoelens die potsenmakers tolereren die zo dom zijn dat hun kinderen snakken naar een intelligent gesprek tijdens het bezoekuur. Kan mijn uroloog me alsjeblieft snel binnen roepen? Ik wil terug naar huis.
Onze kleindochter is namelijk bij ons en ze begint echt rond te kijken. Ik wil in haar blikveld zijn als ze glimlacht. Marion stapt af en toe met de baby in bad. Dat doet ze met mij nooit. Dat hoeft ook niet want ik ben geen liefhebber van watererotiek. Een bad is om schoon te worden en heeft voor mij niets met intimiteit te maken. Met afschuw kijk ik naar afleveringen van 'Sex in the city' of 'Desperate housewives', waar de dames snakken naar een sensueel badavontuur met veel water en een belachelijke hoeveelheid geurige kaarsen om zich heen. Tegen de tijd dat je de laatste van die kaarsen hebt aangestoken is je badwater koud. De man die bij zo'n vrouw in de tobbe gaat wordt er heus niet leuker door. Het idee dat er vrouwen zijn die denken dat ze het ontbreken van romantiek in hun bestaan kunnen compenseren door televisieprogramma's te imiteren vervult me met afschuw en medelijden.
Als Helena na het bad op haar badhanddoek in de bibliotheek ligt gaan haar ogen nieuwsgierig rond. Je kunt niet jong genoeg beginnen om kinderen liefde voor boeken mee te geven. Nog niets kan ze echt onderscheiden. Voor haar zijn het geen titels, maar kleurrijke velden. Helena ligt met haar armpjes naast haar hoofd, open voor alle nieuwe indrukken. Het is nog allemaal even mooi. Steeds meer zal ze gaan zien. Eerst zal ze tegen iedereen lachen. Tot ze ontdekt dat er verschil is tussen mensen. Dan gaat ze patronen herkennen. De lichaamstaal van bedriegers. Het stalen gezicht van de mensen die iets te verbergen hebben. Tot ze door het opvangen van een glimp al precies weet wat er aan de hand is. Of ze iemand kan vertrouwen. Op de televisie zie ik twee ministers zeggen dat er niets verkeerd is gegaan toen er elf mensen die uit hun land gevlucht waren en in een gevangeniscel gestopt zijn, verbrandden. Die politici denken dat hen niets te verwijten valt. Ze denken zelfs dat ze de kiezers een gunst bewijzen door weerloze mensen te vernederen, maanden lang in onzekerheid in een cel te stoppen, ze als een mindere soort mensen te behandelen, ze om laten komen in het Nederlandse hellevuur. Ik hoor ze woorden zeggen als gedetineerden, criminelen en bolletjesslikkers om te verbergen dat het slechts gaat om tientallen mensen die niet terug willen en kunnen naar het land waar ze ooit weg zijn gevlucht. Hoe is dit aan Helena uit te leggen? Hoe kan ik haar vertellen dat we geen leiders in dit land hebben die voor gaan in verzoening, maar opportunisten die denken dat ze met het aanwakkeren van vreemdelingenhaat een volgende verkiezing kunnen winnen? Marion en ik missen een taal om ons hierover uit te drukken. Zijn de waarden waarmee wij opgevoed zijn dan echt bedrog?
We zijn de hele dag in de Schilderswijk geweest om een televisiefilmpje voor de serie 26.000 gezichten te maken. Af en toe horen we iets over de brand via de autoradio. Woorden ontbreken om nog iets te kunnen zeggen over het land waarin we leven waar misdaden tegen de meest basale regels van de menselijkheid door zoveel mensen geaccepteerd worden.
Vanochtend werd ik wakker uit een droom. Sinds mijn bestraling waarbij ik elke nacht de wonderlijkste dingen meemaakte, heb ik misschien nog maar twee of drie keer gedroomd. Mijn nachten brengen weer gewoon vergetelheid, zoals voor die vernietigende stralen. In die droom stond ik op Marion te wachten. Ze kwam eraan met Helena op haar arm. Marion lachte naar me en ik zag dat haar voortand nog maar aan een paar bloederige draadjes vastzat. Hij kon zo uit haar mond vallen. "Wat is er gebeurd," vroeg ik verschrikt. "Iemand heeft me in mijn gezicht geslagen," antwoordde ze kalm. Ik werd wakker met een vreselijk gevoel omdat ik haar niet had weten te beschermen. En dat terwijl ik de avond ervoor toen ze nog verdrietig tegen me aankroop, vol schuldgevoel omdat haar Een Royaal Gebaar actie niet had geleid tot menselijkheid voor iedereen in dit land, tegen haar gezegd had dat ze bij mij in bed altijd veilig is.
"Hoe gaat het?" vraagt mijn uroloog.
Wat moet ik zeggen? Met mijn gezondheid is het prima, maar met mijn land niet?
Vanuit de computer tovert hij de PSA waarden te voorschijn. Hij kijkt aandachtig naar het scherm.
"Weer verdubbeld," zegt hij.
Het komt eraan en is niet te stoppen: het moment dat het onverantwoord is om geen medicijnen te gebruiken omdat je de uitzaaiingen bijna aan het uitnodigen bent. Ik kijk hem in zijn ogen en zeg:
"Laten we nog drie maanden wachten en dan weer kijken."
"Goed," zegt hij. "Het gaat er toch ook om hoe je je voelt."



Terug