Week 50 -2005
"Ik zie er wel tegen op," zegt mijn moeder.
We zitten naast elkaar in de auto en rijden over de snelweg. Het duurt vijftien minuten van haar huis naar het mijne. Genoeg tijd voor een gesprek.
Ze heeft aan vrijwel niemand verteld dat ze in het ziekenhuis wordt opgenomen om een nieuwe knie te krijgen. Ze is vijfentachtig. Ze slikt geen medicijnen, zelfs niet voor de bloeddruk of vanwege de cholesterol. Wel heeft ze al een nieuwe heup en haar andere knie is ook van kunststof. De mensen hoeven echter niet alles te weten. Opname in het ziekenhuis doet haar uit de toptien van gezondste vrouwen van Amersfoort duikelen.
Ik was vier toen de tweeling werd geboren. Tot dat moment leefde ik in het paradijs van onverdeelde moederlijke aandacht. Daarna was het afgelopen en begon het deel van mijn jeugd waarin ik me niet gezien en onbegrepen voelde. Dat zal er wel mede toe hebben geleid dat ik schrijver werd. Mijn moeder leest namelijk graag en af en toe kan ik haar een boek van mezelf geven, waarin ik dan voorin schrijf "Voor mijn lieve moeder". Deze week was het mijn nieuwe medicijnenboek: meer dan duizend pagina's aandacht.
Een boek is af en ik begin weer met het volgende. Er is altijd zoveel dat ik nog vertellen moet en in het gedrang tussen andere kinderen, tweelingen, mensen die te hard praten omdat ze bang zijn niet gehoord te worden, trek ik me terug. Ik schrijf het liever op om te ontdekken wat ik zou zeggen als ze mij iets zouden vragen. Om voorbereid te zijn voor het geval iemand me het woord geeft.
Door het lawaai van al die mensen heen, die praten over terroristen, vluchtelingen, vreemdelingen, andere religies dan die van hen zelf, culturen waarvan ze denken dat die achterlijk zijn, zou ik ook wel eens wat willen zeggen. Maar daarvoor krijgen mensen die het allemaal niet zo heel zeker weten en die begrip willen opbrengen voor wat menselijk is, nooit de gelegenheid meer. De steeds weer herhaalde vooroordelen zijn geruststellender voor mensen met angst. Daarom groeit bij mij elke dag de behoefte erover te schrijven. Maar dan ligt er nog een boek dat alleen door mijn moeder en een handvol andere vrouwen wordt gelezen.
Als mensen toch eens zouden weten! Alleen de verhalen van deze week al. Hoe Fatima, die elf is en langer dan tien jaar in Nederland woont, deze woensdag ook in hoger beroep gehoord heeft dat ze terug naar Angola moet. Terug? Hoezo terug? Toen de Angolese politie bij haar moeder aanklopte voor haar man die van een andere politieke partij was en hem niet vond, hebben ze haar verkracht. Dat had ze onmiddellijk moeten vertellen toen ze in Nederland aan kwam: bij die man in dat hokje waar je je paspoort laat zien. Als je het later ooit nog eens doet, dan geloven ze je niet meer. Ook al kom je met bewijzen. Volgens de IND is het geen politieke verkrachting. Die tien politiemannen deden het om andere redenen. En Fatima die alleen Nederlands spreekt moet op haar elfde naar een land dat ze niet kent. Samen met haar broertje van acht dat hier geboren is. Ze zijn goed voorbereid, want ze hebben een Nederlands verkeersdiploma en Fatima heeft ook nog een handvol medailles gewonnen met turnen en voetbal.
"Ik ben boos," schrijven veel mensen aan ons. Boos? Het woord betekent inmiddels niets meer. Moet ik ontdekken dat mijn land gedurende de afgelopen periode minstens 102 keer aan de overheid van verschillende landen heeft doorgegeven dat de vluchtelingen die het terugstuurt in Nederland asiel hadden aangevraagd? Iedereen weet dat zoiets levensbedreigend voor die mensen is. Gewoon even aangekruist op een standaardformulier. Ongelukje. Te weinig personeel. En de minister die bij hoog en laag beweerde dat ze geen informatie had gegeven zegt doodleuk dat dit alleen maar een kruisje, en geen inhoudelijke informatie is. Al die mensen maken zich daarmee medeplichtig aan voorliegen en aan het opzettelijk in gevaar brengen van vreemdelingen die ze hier niet wensen. Ik moet er over schrijven, maar wat kun je nog voor zinvols op papier zetten? Iets dat uitklinkt boven de haatradio, die in ons land steeds luider te horen is?
Ahmed belt me vanaf een plaats, waar negen overlevenden van de schipholbrand naartoe zijn gebracht. Vier weken lang hebben ze in een ziekenhuis gelegen. Geïsoleerd, want wat zou er in ons land gebeurd zijn als op televisie beelden te zien waren geweest van mensen die werkelijk gewond zijn? Zoals bij de brand in Volendam: echte mensen. Zou dan niet heel Nederland boos zijn geworden dat we ministers hebben die het prima vinden om ongewenste vreemdelingen op te sluiten in noodcellen waarvan we weten dat ze brandgevaarlijk zijn. Mensen waarvoor men in Nederland niet de zelfde normen van bescherming hanteert als voor anderen. Ze zijn niet eens gezien en gehoord door degenen die de brand moeten onderzoeken. De ministers doen beter hun best ze te verbergen dan om ze te beschermen en te behandelen. En het merendeel van mijn landgenoten laat het nog toe ook. Via de telefoon durven de slachtoffers van de brand hun naam niet eens te noemen. Doodsbang zijn ze. Herinneren zich ook veel niet meer van die rampnacht. En waarom zaten ze daar? Eén van de redenen? Uitgeprocedeerd, precies zoals Fatima en haar moeder en broertje. Ja, we moeten erover schrijven, ook al lezen alleen onze moeders het. Vandaag filmen vrijwilligers van Een Royaal Gebaar acht andere overlevenden. We zullen het allemaal vastleggen en zichtbaar maken. We moeten boos blijven en schrijven.
"Mam," zeg ik tegen mijn moeder. "Het is ook niet leuk zo'n operatie. Maar onthoud één ding. Jij en ik lijken op elkaar. Wij zijn niet laf. We maken ons wel zorgen, maar we weten dat als we blijven denken aan de mooie dingen die we nog in de toekomst zullen meemaken we de kracht vinden om alles te doorstaan. Ook een knieoperatie"
Ze zwijgt enige tijd.
"Gaat het wel goed met jou Ief?" vraagt ze.
"Ja natuurlijk," antwoord ik.
Ze knikt en zegt: "Af en toe pak ik dat boek van die walvis van je en dan lees ik nog een keer de laatste bladzijden, waarin je schrijft dat je genezen bent."



Terug