| Week 51 -2005 Er lag een mededeling van de brievenbezorger in mijn brievenbus dat er aangetekende post voor me was, maar hij had me helaas niet thuis getroffen. Ik hou daar niet van, want het heeft altijd een zekere dreiging. Iemand wil je iets laten weten dat je niet van hem mag negeren. Een boodschap die ik onder geen voorwaarde mag missen. Wat nu weer? Ik sliep er niet goed door en de volgende ochtend haalde ik onmiddellijk het aangetekende stuk af. Het aanzien daarvan stelde me echter gerust. Dat kwam niet van een geslepen jurist, die mij op verontwaardigde toon ter verantwoording roept voor iets dat ik nooit gedaan heb. De verzender had het adres met de hand geschreven en met veel plakband een soort envelop gemaakt. Het zag er uit als het werk van iemand in nood. "Zeer geachte Doktor," schrijft een mij onbekende man. "Ik ben te zwak. Daarom kort. Er zijn 2 dingen die beide ongelooflijk ernstig zijn. Vaak vals beschuldigd, hetgeen ik kan weerleggen. En nu ook nog prostaatkanker en een ontstoken urinebuis. Ik kan niet meer." De man, die ook nog meedeelt dat hij in 1916 geboren is, heeft tien bijlagen meegestuurd. Het begint met een brief van de Reichskommissar für die Besetzten Niederländischen Gebiete. Het betreft een hoofdmeester van een Amsterdamse school in de Jordaan en daarover wordt geschreven: "Der Herr Generalkommissar für Verwaltung und Justiz hat den Obengenannten mit sofortiger Wirkung aus seinem Amt entlassen, weil er flüchtige Juden verborgen hielt." Mijn geheimzinnige briefschrijver laat met een krabbel in de kantlijn weten dat hij één van die verstopte Joden was. Verder allerlei kopieën van een briefwisseling met de belastingdienst uit de jaren zestig en zeventig waarbij het gaat om een steeds hoger oplopende boete. Negenentachtig jaar oud en alles zit tegen. De kaarten waren vanaf het begin niet goed geschud. Hij had pech dat hij in 1944 Jood was en ook toen dat minder problemen opleverde bleef het noodlot hem achtervolgen. Tegenwoordig zit het tegen als je een Noordafrikaans uiterlijk hebt, als je moslem bent, als je uit je land in oorlog gevlucht bent en na lange procedures in een Nederlands detentiecentrum belandt. Het leven wordt op den duur een samenzwering die speciaal tegen jou gericht lijkt te zijn. Tot je er op een dag niet meer tegen kunt en het opgeeft. Wat moet ik met die brief? Moet ik het zien als een soort samenvatting van zijn leven, die de man aan mij nalaat? Dan is er tenminste iemand die het weet. Wil hij dat ik terug schrijf? Wat moet het dan zijn? Kop op? Nooit de moed verliezen? Of juist: Je hebt gelijk, geef het maar op? Je hebt recht op rust? Misschien komt het omdat ik over gezondheid schrijf dat ik vaak brieven krijg waar ik niet goed raad mee weet. Misschien zijn het brieven die helemaal niet bedoeld zijn beantwoord te worden. De meest creatieve is er één van vijf kantjes. De letters zijn geheel gemaakt van uit pornobladen geknipte penissen. Toen ik het onlangs aan iemand vertelde werd me gevraagd wat er dan geschreven stond. Dat ben ik vergeten. It's the medium not the message. Of liefdesverklaringen waar ik alleen nog maar mijn naam onder hoef te zetten. Geadresseerde envelop met postzegel erop zijn bijgesloten. Er zijn ook zo veel vermoeide en eenzame mensen op de wereld. Schreeuwend om een beetje aandacht. Hopend dat iemand ze ziet, of in ieder geval het archief van hun leven. Zodat ze het eindelijk rustig op kunnen geven. Daar moest ik van de week aan denken toen ik de opnamen die we gemaakt hebben van de interviews met de overlevenden van de Schipholbrand bekeek. Mensen die niet meer durven te slapen met gesloten ramen of deuren, die nog altijd de nagalm in de oren hebben van de twee vrouwen die in de cel naast ze levend verbrand zijn. Vier weken lang hebben ze in een gevangenis in Rotterdam verstopt gezeten omdat de buitenwereld ze absoluut niet mocht zien en horen. Nog steeds is er geen psychiater bij ze geweest om eens met ze te praten. Maar wel stapels medicijnen op hun nachtkastje. Een hoeveelheid waarmee je in de Afrikaanse wildparken een rinoceros een week lang kalm kunt houden. Tegen hen bestaat er zeker een complot. Het asielbeleid. Dat lijkt helemaal opgezet om ze te ontmoedigen, te kleineren, te beledigen en kapot te maken, zodat ze uiteindelijk vragen of ze alsjeblieft weg mogen. Een psychiater laat weten dat hij klaar staat naar de overlevenden te gaan om ze de hulp te geven die ze nodig hebben. Maar alles wordt gedaan om dat onmogelijk te maken. We vragen of hij dat zwart op wit wil zetten en ondertekenen, maar hij is bang voor zijn baan. Hij zou wel eens het lot van die hoofdmeester uit de Jordaan kunnen delen. Op woensdagavond in de tweede kamer doen de parlementsleden hun rituele dans rond de zetels die ze veroverd hebben. Stoelendans! Ik zie een mevrouw die denkt dat ze de hoofdrol in een Grieks drama speelt. Ze staat in de schijnwerpers van alle nieuwsprogramma's. Genietend van die vijf minuten roem vergeet ze waarom ze in de tweede kamer zit. Ze zegt dat ze het niet accepteert dat de minister zo koeltjes doet over de honderdtwee keer dat er informatie is gegeven over de vluchtelingen die in Nederland aanklopten. Informatie over het feit dat ze asiel zochten. De geheime diensten in de landen van waar ze gevlucht zijn moeten gesmuld hebben dat ze dergelijke informatie kregen. Excuses aanbieden aan die parmantige kamerleden? Wat ze had moeten zeggen is dat Nederland honderdtwee keer excuses moet aanbieden aan de mensen die verraden zijn aan de Reichskommissar van het land dat ze probeerden te ontvluchten. En dat onderzocht moet worden of dat ernstige problemen veroorzaakt heeft. Eventueel mogelijke schade vergoeden. Maar nee, we denken niet aan die anderen. De minister hoeft slechts aan de mevrouw met het verongelijkte gezicht haar verontschuldigingen aan te bieden. De minister doet het en iedereen is blij, want ze kunnen blijven zitten waar ze zaten. Aan het eind van zo'n dag voel ik me uitgeput. Even denk ik dat ik net als die mijnheer van negenentachtig het niet meer kan. Maar het moet. Voor die man die het gegil van die twee vrouwen nog in zijn oren hoort en zelf met antipsychotica en antidepressiva machteloos gemaakt is. Voor Fatima en Prudence die naar Angola moeten. Ze mochten tien jaar in ons land wonen, maar we zijn een rechtvaardig volk en sturen ze nu naar huis, want de procedure waarin beoordeeld wordt of ze hier eigenlijk wel horen is voorbij. Welk huis? Ze zijn nog nooit in Angola geweest. Waar kunnen ze hun recht halen? Bijvoorbeeld het recht op een opleiding in de enige taal die ze spreken: Nederlands. Daarom kunnen we het niet opgeven. Kon ik maar iedereen in Nederland elke dag een aangetekende brief sturen over Fatima en haar broertje, over de man met het gehuil in zijn oren. Terug |