| Week 23 Mijn moeder moet de laatste tijd soms erg huilen. Ze probeert het niet te doen als ik in de buurt ben, maar soms kan ze zich niet goed houden. Als ik vraag waarom ze huilt zegt ze "Sjaan heeft altijd wat en die is al boven de negentig en de artsen lappen haar toch steeds weer op". Het lijkt wel of ze een beetje boos is op haar vriendin Sjaan en vooral op die ijverige artsen. Mijn moeder heeft nooit veel gehuild in haar leven. Ze was hard voor zichzelf en als ze al zelfmedelijden had, hoefden anderen dat niet te zien. De 'anderen', wie dat ook zijn, mochten trouwens nooit iets weten en dat is nog steeds zo. Ze komt haar verjaardag bij mij thuis vieren, maar haar vriendinnen nodigt ze niet uit, want die hoeven niet te zien hoe ik woon. Anders gaan ze er later maar over kletsen. In mijn pubertijd, toen ik van een verlegen jongen een stoere bink moest worden, huilde ik veel. Als iemand iets onaardigs tegen me zei, voelde ik me diep gekrenkt. Ik probeerde niets te laten blijken en drukte de tranen weg, die daardoor gewoon nog harder aandrongen. Uiteindelijk rende ik weg als het me te veel werd. Het was ook allemaal niet zo gemakkelijk toen ik veertien was en al die nieuwe hormonen in mijn lichaam kreeg. Het was even wennen, maar nadat ik eenmaal door begon te krijgen hoe het werkte heb ik nog maar weinig tranen gelaten. Door mijn dokter worden die hormonen me weer afgenomen en nu pas begrijp ik wat voor functie ze precies hebben. Je hebt ze nu eenmaal al zo lang en weet niet eens meer dat het anders kan. Het is zoals Jody Mitchel zingt: "Hold on to what you got, because your don't know what you've got till it's gone." En daarna de beroemde zin: "Today paradise put up a parking lot." Natuurlijk is de aanwezigheid van een parkeergarage in het paradijs vele malen erger dan het verlies van een handje vol testosteron. Menige wielrenner heeft er zijn nek op gebroken; dus er zitten ook nogal wat nadelen aan. Die hormonen waren handig en lastig tegelijkertijd. Met hun hulp liep ik als een opgewonden roofdier door ons huis, altijd speurend naar een moment om mijn nakomelingenschap te vergroten. Ik besloop mijn prooi in de keuken of terwijl ze in de tuin aan het werk was, zonder me al te zeer af te vragen of zij niet liever haar breiwerkje af maakte. Onvermoeibaar was ik. Voortdurend zocht ik naar de juiste grap om de sfeer te creëren waarin me alles geoorloofd zou zijn. Het hield me scherp en ik wist ook altijd hoe ik een ander te snel af moest zijn, zodat hij uit de buurt bleef. Tegenwoordig heeft de prooi vakantie en mag zij bepalen wat er gebeurt en wanneer. Mijn huid is veranderd en ik transpireer veel meer. Met die zweterige handen kan een man zijn zwaard niet behoorlijk vast houden. Hij zou in het eerste het beste duel snel verslagen worden als op het moment dat hij juist een slag uit wil delen, zijn wapen met een boog uit zijn hand vliegt. Nee, ik snap die werking van de hormonen wel. Ze hielpen me mijn leven lang om 'cool' te blijven, want strijders zijn 'cool'. De vijand moet niet gaan denken dat ze ook maar enige greep op je hebben en daarom doe je altijd alsof alles je onverschillig laat. Schouders ophalen, dat is het beste antwoord op de vragen die je niet kunt beantwoorden en die hormonen zijn het schild waarmee je dat bereikt. Die 'coolheid' is inmiddels vervangen door echte opvliegers. Bij het minste of geringste stijgt de hitte naar mijn hoofd en begin ik te transpireren. Het kan een auto zijn die voor me rijdt en te abrupt remt, maar ook mensen die nodeloos ruzie maken. Ik laat natuurlijk niets merken, maar denk wel vaak: "Nou die dames kunnen me een hoop meer vertellen, maar de opvlieger is een behoorlijk overgewaardeerd fenomeen." Er valt heel goed mee te leven. Het lastigste zijn echter de huilbuien, waarmee ik niet goed meer kan stoppen. Het is zo handig dat je als man van die hormonen hebt waardoor niets je raakt. Stel je toch voor dat tijdens een directievergadering iemand tegen jou zegt: "Nou ik vind toch dat je deze zaak niet zo best hebt afgehandeld" en dat dan spontaan de tranen in je ogen springen en je niet meer kunt stoppen. Misschien kun je nog net voor je in hevig snikken over gaat zeggen: "Nou in jouw afdeling is de winst ook flink gezakt en dat ligt toch niet aan de inzet van je mensen", waarna er nog iemand gierend begint te huilen. Uiteindelijk zitten ze in de directiekamer met zijn negenen te janken. Nee, godzijdank hebben die mannen hormonen waardoor ze geharnast zijn en denken dat ze de hele wereld aan kunnen. Ik moet wel bekennen dat er maar heel weinig mensen zijn die weten waar ze me moeten raken om me echt uit het veld te slaan. En die durven inmiddels natuurlijk nog maar nauwelijks een serieus gesprek met me te aan te gaan, want je weet maar niet hoe het af gaat lopen. Wie had ook kunnen vermoeden dat ik eerder dan de vriendinnen van mijn vrouw in de overgang zou belanden? En zelf had ik nooit gedacht dat ik op het zelfde moment als mijn drieëntachtig jarige moeder mijn defensiemechanismen tegen invloeden van buiten zou verliezen. Ze belde van de week op, precies toen ik na een huiselijke twist huilde. Ze vroeg "Is er iets?" en geroutineerd zei ik: "Nee, mam, ik ben even in een vergadering hoor. Ik bel je terug." Terug |