| Week 01 -2006 Een paar jaar geleden ging het gewoon niet meer. De kaboutertante van Marion was niet meer in staat voor zichzelf te zorgen. Ze moest naar een verpleeghuis. Met de naam daarvan is niets mis: Zonnehuis. Met het adres evenmin: Laan van de Helende Meesters. Dat suggereert in ieder geval dat het allemaal nog goed komt. Als je van de afdeling weg wilt, moet je echter wel van deze tijd zijn. De code om de deur van binnen uit te openen is het jaar waarin we leven. Hoe het in zo'n verpleeghuis is, weet ik niet goed. We brengen er maar weinig tijd door en kunnen nooit anders dan concluderen dat we daar nooit willen leven. Maar hoe het er echt is? Er vormen zich in zo'n huis natuurlijk nieuwe vriendschappen. Er is liefde en haat, zoals overal waar mensen met elkaar te maken hebben. De familie is bij de kaboutertante op bezoek. Een vrouw, die niemand kent, houdt de hand van de kaboutertante vast. Ze praat met de familieleden mee, alsof ze voor haar op bezoek zijn gekomen. Af en toe zegt de kaboutertante geërgerd "bemoei je er niet mee!" Wat voor rol heeft de familie echter nog? Drie kwartier zijn ze er en dan weer weken, maanden niet. Je deelt uiteindelijk nog slechts wat wegglippende herinneringen. Maar die vreemde vrouw is er elke dag. De kaboutertante en de vrouw helpen elkaar de tijd tussen de bezoekjes door. Zelf mis ik het talent tot wanhoop. Het glas is altijd nog half vol. Zou het leven me op den duur nog op de knieën krijgen? Zou daartoe een verblijf in een dergelijk tehuis voldoende zijn? "Ze zeiden dat ze het zouden sturen, maar dat hebben ze niet gedaan," schrijft Riem een zestienjarig Palestijns meisje uit Libanon. Met haar moeder, zusje en broertje heeft ze vier maanden lang in de gevangenis van Zestienhoven gezeten. "Kleding, make-up, sieraden, schoenen hebben ze weggegooid. In de gevangenis hebben ze van alles afgepakt: geld, mobiels alles. We mochten niets meenemen naar boven. We kregen 2 cellen omdat we met z'n vieren waren. De celdeuren gingen om 8 uur open en om 12 uur gingen ze weer dicht om te eten. Om 12.45 gingen ze weer open, maar om 16.45 gingen ze weer dicht tot de volgende dag 8 uur." Dit is geen sterk verhaal dat ik heb gehoord van iemand die in Burma op vakantie is geweest. Weer doorverteld door een toerist die daar iets van andere bezoekers aan het land in de lobby van zijn hotel gehoord heeft. Over kinderen die niets gedaan hebben en in een gevangenis worden opgesloten. Zestienhoven ligt in Nederland, niet ver van onze eigen open haard. Wat bezit je als je een zestienjarige asielzoekster bent, die al een paar jaar in Nederland woont en er naar school gaat? Een beetje make-up en wat goedkope sieraden. Het leven neemt je op den duur alles af. Tot je niets meer hebt en je je erbij neerlegt te vertrekken. Adam kende ik pas kort. Hij schreef me afgelopen voorjaar en stelde voor om samen iets op te zetten om mensen placebo's te verkopen. Niet als bedrog, maar gewoon omdat hij ervan overtuigd was dat placebo's echt helpen. Adam had gelezen wat ik er in de loop der jaren over op papier gezet heb. Ik verzuimde zijn brief te beantwoorden tot hij een keer bij een lezing die ik gaf opdook. Nadat ik zijn innemende gezicht gezien had, viel het me moeilijk hem nog te negeren. Uiteindelijk begon ik zelfs mee te denken, maar vervolgens hoorde ik weer lang niets van hem. Ineens kreeg ik een email van Adam. Hij schreef dat er longkanker was gevonden. Daarom kreeg hij zuurstof. Adam hoopte met zijn vrouw en dochters de kerst nog mee te maken. Volgens de rouwkaart is hij op 26 december overleden. Uit zijn laatste teken van leven had ik begrepen dat hij zich niet zou verzetten als hij weg moest. Was de droom waarover mijn schoonvader vertelde ook een worsteling met de dood? Hij was er duizelig en doodmoe uit wakker geworden. Mijn schoonvader liep in een onbekend zwart huis waar hij niet meer uit kon komen. Hij maakte deuren open, maar belandde steeds in andere donkere kamers. Er was niemand. Hij werd wanhopig omdat hij er de weg niet wist. "Je weet, ik ben gelovig," zei hij. "Dus ik begin te bidden. Of ik er alsjeblieft uit mag. Ineens zie ik een lichtstraal en ik ga er naar toe. Een deur en ik sta buiten in de stad. Tussen de mensen." Marion twijfelde niet aan de ware betekenis van de droom. Misschien was het een hersenbloeding die aanklopte, maar twijfelde en zich weg heeft laten sturen. Bij het wakker worden voelde hij enorme spierpijn in zijn benen. Riem schrijft over een andere asielzoekster. "Ze is daar nu zes maanden met haar moeder en haar broertje van acht. Maar ze heeft nog een ander zusje en broertje van 14 en 15 jaar. Die zitten buiten, maar ze weten niet waar ze zijn; of ze samen zijn of niet. Soms hadden mensen een grote mond tegen de bewakers. Dus kregen ze een rapport. En soms werd je naar de isolatie gebracht, een kamer zonder bed. Je moest je kleding uitdoen en een katoen pak aandoen in de kou." De lange nachten maken ons melancholiek. Ze knagen aan ons onwankelbare vertrouwen in het goede in de mens. Marion en ik willen nog veel schrijven over de misdaden tegen de menselijkheid die in naam van de Nederlandse bevolking begaan worden, maar de dagen zijn zo snel voorbij. En hoeveel tijd krijgen we nog om het allemaal op papier te zetten? Vuurpijlen en donderslagen om een nieuw jaar met schone lei te beginnen. Ik moest mijn uitgever uitleggen waar mijn weekboeken eigenlijk over gaan. "Over alles," zei ik. "Als je goed en oprecht schrijft gaat het altijd over het totaal. Misschien weerspiegeld in iets kleins. Ik zou nog wel een grote roman willen schrijven, maar daar krijg ik geloof ik de tijd niet meer voor. Daarom elke week een aflevering. Over een man, over liefde en passie, over seksualiteit, over hormonen, over identiteit, over de zoektocht door het grote huis waarin we samen wonen." Elke avond voor we gaan slapen zoeken Marion en ik elkaar's hand. In ons eentje durven we het niet aan. Terug |