| Week 24 In het hotel in de Rue de Rome dat we besproken hadden was alleen nog maar een kamer met een tweepersoonsbed beschikbaar. "Vind jij dat vervelend?" vroeg ik aan Kaja. Hij schudde zijn hoofd. "Als je maar niet snurkt," zei hij. "Als jij maar geen nachtmerries krijgt," antwoordde ik. Kaja vertelde als kind nooit waar hij mee zat. Slechts af en toe vingen we er een glimp van op als hij midden in de nacht uit een nachtmerrie ontwaakte. Hij zal acht jaar oud geweest zijn toen hij in paniek wakker werd en ons smeekte om nooit ouder te worden en altijd bij elkaar te blijven. Hij had overigens wel de tegenwoordigheid van geest eraan toe te voegen "Ik groei nog tot ik achttien ben". Hij wilde natuurlijk meer gelijkwaardigheid en niet in de eeuwigheid op tijd naar bed gestuurd worden. Verantwoordelijke ouders als wij waren, zeiden we natuurlijk niet: "Dat is goed Kaja, we blijven altijd bij elkaar en ga nou maar weer lekker slapen". Maar: "Dat is onmogelijk, want je kunt nu eenmaal niet eeuwig blijven leven". Wel verzekerden we hem dat een mensenleven lang duurt en dat we zouden proberen heel oud te worden. Wat in zijn paniek over onze sterfelijkheid belangrijker leek, was dat we samen van alles zouden blijven ondernemen. Dat deden we ook. We waren vaak in het buitenland en op reis gaven Marion en ik hem onderwijs. Marion leerde hem taal en ik vertelde over biologie en geschiedenis. Ik noemde hem meestal mijn beste vriend. Hij noemde mij Ivan. En zijn grootouders werden voor hem 'pa en ma'. Als we in Nederland waren moest ik hard werken, maar af en toe deden we samen een project. Zo wilde ik hem kennis laten maken met de donkere kamer. Op zijn leeftijd was ik jaloers op jongens die thuis een doka hadden. Alleen al het samenzweerderige geheime woord 'doka' dat ze gebruikten om erover te praten trok me aan. "Wat wil je fotograferen?" vroeg ik. Of hij het nu als een soort therapie zag om over zijn angst voor honden heen te komen weet ik niet, maar tot mijn verbazing stelde hij voor om die trouwe viervoeters te gaan portretteren. Het leek mij een geweldig idee: foto's van honden met hun baasjes die heel erg op elkaar zijn gaan lijken. Met de Pentax spiegelreflexcamera gingen we op pad. Het ontbrak ons echter aan moed om mensen te vragen zich samen met hun huisdier te laten fotograferen. We probeerden van een afstand met de telelens mensen met hun honden stiekum te betrappen, maar dat miste het confronterende van een echt portret. Na een half uur doelloos te hebben rond gelopen begonnen we ten einde raad hondendrollen te vereeuwigen. Op die manier verzamelden we er 36. We kropen in de donkere klerenkast en ontwikkelden het rolletje. Vervolgens waren we getuige van het mysterie dat elke fotograaf telkens weer ontroert. In de grote plastic bakken met geheime sappen verschenen op de witte vellen die we erin wierpen de afbeeldingen van wat we die dag hadden vastgelegd. We hebben de foto's ook nog keurig ingeplakt. We hielden elk op onze eigen manier van fotografie. "Ga daar eens staan," zei ik vaker dan Marion en Kaja lief was. "Ietsje meer naar rechts," instrueerde ik. "Ja, het licht is prachtig zo." De foto's tonen vaak een geërgerde gezichtsuitdrukking en ik drukte ook regelmatig te laat af als ze "Ben je nou nog niet klaar?" tegen me zeiden. Ik maakte albums door de duizenden foto's die ik nam braaf in te plakken. Album Java. Album Tibet. Album Peru. Album India. Misschien waren het slechts onze variaties op onze favoriete Kuifje stripverhalen. Toen hij ouder werd weigerde Kaja om nog voor foto's te poseren en toen hij uit huis was begon hij boeken van bekende fotografen te verzamelen. In de krant lazen we dat er in Parijs een retrospectief van Henri Cartier-Bresson was en we twijfelden geen moment. Vorig week zaten we samen in de Thalys. Op zaterdag toen de Bibliothèque François Mitterand open ging, waren we er al, voordat de grote drommen mensen die eerst hun espresso en croissant moesten nuttigen, de tentoonstelling bestormden. Uren lang liepen we tussen de zwart wit foto's die Henri Cartier-Bresson overal ter wereld genomen heeft rond. We kenden al die landen, want we hadden ze zelf bezocht en er net als Cartier-Bresson ook gefotografeerd. Soms herkende ik een plek en wist dat ik Marion of Kaja daar ook ooit had vastgelegd. Maar die kleurenfoto's zijn inmiddels vaal geworden. Cartier-Bresson heeft de gave om in zijn foto's ruimte te scheppen. De wereld is nog niet overbevolkt en alles is nog mogelijk. Zelfs de foto van drie mannen in West Berlijn die op een elektriciteitshuisje geklommen zijn om over de muur naar een misschien wel triest Oost Berlijn te kijken, is eigenlijk vol hoop. We zien Oost Berlijn niet, maar drie mannen in keurige pakken die door de compositie van de foto in een lege ruimte kijken. Na afloop kochten we twee dikke boeken met de foto's van Herni Cartier-Bresson en liepen Parijs in. Elk met een fototoestel. Die middag en avond fotografeerden we elkaar. Kaja voor de winkel van Finkelstajn. Ik op de Place des Vosges. Kaja in de metro. Ik bij de Seine. En met de zelfontspanner een van ons samen op het tweepersoonsbed elk met het grote boek van HCB op schoot. Een paar fimpjes vol. Gulzigheid. Dat is het. Alles vast leggen omdat het zo mooi is en het verdwenen is voor je het door hebt. Bewaren. Inplakken. Opschrijven. Want iets wat zo fantastisch is, zo goed voelt, moet altijd blijven. Terug |