Week 25
De eerste keer dat ik een tien voor een opstel haalde schreef ik over 'dolce far niente'. Het was in de vierde klas van de middelbare school. Tot dat moment had ik als er een opstel moest worden geschreven altijd de veiligste route naar een zeven of acht gekozen. Uit de lijst met tien onderwerpen haalde ik iets als 'De expansiedrang van de Sovjet Unie en de rol van de NAVO' of 'Voor en tegen van een tweede televisienet'. Maar op die novemberdag in de vierde stond er echt niets op de lijst van tien waar een mens met goede smaak iets van kon maken. Uiteindelijk koos ik daarom maar een 'vrij' onderwerp. Dolce far niente.
Het werd een Nescio-achtig verhaaltje waar leraren Nederlands gek op zijn, hoewel ik dat toen nog niet wist. Ik verheerlijkte het niets doen en beschreef mezelf als iemand die met een grasspriet in de mond in de tuin ligt, kijkend naar de overdrijvende wolken en vol puberale wijsheid ziet hoe zijn vader het zoveelste schuurtje bouwt. Binnen klinkt de naaimachine van zijn moeder, die weer iets maakt dat niet goed past en slechts drie weken zal worden gedragen. Mijnheer Blessinga liet me het opstel in de klas voorlezen en ik moet toegeven dat zijn hoge cijfer en bijkomende lof me mijn verdere leven zelfvertrouwen gaven: Ik kan iets, ik kan schrijven, ik kan de woorden zo in volgorde zetten dat ze iets meer oproepen dan angst voor Sovjetlegers of zorgen over een te groot aanbod aan televisieprogramma's.
Er zijn mensen die op hun tenen leven. De vader en de moeder in mijn opstel doen dat. Altijd zijn ze bezig en voortdurend alert om op tijd iets te ondernemen en daardoor allerlei mogelijke problemen te voorkomen. Er zijn ook mensen met een grasspriet in de mond. Ik droomde altijd van dat laatste, maar ik besefte toen al dat mijn vader daar een groter talent voor had dan ik. Hij kon echt lekker zitten en voor de vierde keer 'Lord Jim' van Joseph Conrad lezen. Als ik aan mijn vader denk, komt er nooit het beeld van iemand die loopt of fietst of wat dan ook onderneemt, maar van een man in een stoel, zijn ene been over de andere, de armen ontspannen op de leuningen, boek in zijn handen. Stoelen pasten hem als gegoten.
Mijn eigen leven is meer een langdurig 'dolce far tuti'. In mijn gulzigheid wil ik alles. Overal zit ik met mijn onrustige vingers aan en probeer het me eigen te maken. Al jong vond ik het oneerlijk dat we zo weinig tijd krijgen en ik heb met energie geprobeerd om drie of vier levens in de mij toebemeten jaren te proppen.
Sommige mensen ergert dat. Als namelijk zo iemand in je omgeving leeft, lijkt het al snel alsof je zelf niets doet. Veelschrijver. Workaholic. Ik heb het altijd als een compliment beschouwd en het verwijt in die bewoordingen genegeerd. Paracelcus had toen hij overleed vijfhonderd boeken geschreven. Dat haal ik niet, maar ik heb er alles aan gedaan om na mijn geslaagde opstel, niet de rest van mijn leven in het gras te blijven liggen om te genieten van dat ene resultaat.
In vliegende vaart ben ik alweer bezig met het volgende. Mijn beste momenten moeten nog komen. Soms merk ik zelf hoe snel ik door mijn leven heen schiet. Vooral op vliegvelden, als ik gedwongen ben te wachten op een vertraagd toestel en de batterij van mijn laptop leeg is.
Mijn dokter heeft gezegd dat de medicijnen gemiddeld anderhalf jaar werkzaam zijn. Ik weet dat gemiddeld betekent dat het meer, maar ook minder kan zijn. Ik ga uit van meer, want er is nog zo veel te doen.
Een paar jaar geleden had ik mijn enige echte verkeersongeluk. Ik rij altijd wat te hard omdat ik thuis nog iets op wil schrijven dat ik niet mag vergeten, maar die keer reed ik hoogstens twintig kilometer per uur omdat het had gevroren. Het was spekglad en hoe flauw de bocht ook was, ik vloog eruit. Er viel niets meer aan te doen. Ik bedacht me in een paar seconden dat ik misschien moest sturen of remmen of gas bij geven en betreurde het dat ik nooit een slipcursus gevolgd had, maar de boom was eerder bereikt dan ik wilde en ik kon helemaal niets meer doen behalve onderzoeken of mijn benen nog heel waren. Binnen een paar momenten wist ik dat er niets ernstigs met me was gebeurd. Ik stapte uit en keek naar de auto. Die was total loss.
Het voelt of ik weer de bocht uit vlieg. Het is een vertraagde film waarbij alles heel lang duurt, maar toch te kort. Er valt niet zo veel meer te sturen of te remmen. Ik slik de medicijnen, gebruik geen vlees of zuivelproducten meer, eet vreselijk veel tomaten en ren mijn rondjes door het bos. Hopelijk duurt het nog heel lang voor de boom er is.
Zal ik eindelijk in het gras gaan liggen? Of doorgaan en de hele dag woorden zoeken en aan elkaar rijgen tot er een verhaal ontstaat waarin ik kan blijven leven?


Terug