Week 27
Sommige mensen plannen hun leven. Ik heb dat nooit gekund. Dingen gebeuren, zonder dat je erom vraagt en de toets van je kwaliteiten ligt in de manier waarop je om gaat met wat er op je pad komt. Zo kom je de vrouw van je leven toevallig tegen, maar als je in het sprookje van je eigen leven met haar gelooft, zul je alles doen zodat ze je niet meer verlaat.
In 1976 kwam ik terecht bij het Werktheater. Ik zou niet meer goed kunnen reconstrueren hoe dat precies ging. Ik had een verhaal geschreven over een man - een eenvoudige fietsenmaker die Klomp heette en op de afdeling lag waar ik werkte - die aan de ziekte van Kahler leed. Dat is een kwaadaardige ziekte. Ik zou het niet graag krijgen. De ziekte was bij hem al ver gevorderd. Z'n botten braken zo maar en hij leed veel pijn. In het ziekenhuis kon men niets meer voor hem doen. Elk denkbaar onderzoekje had men uitgevoerd. Mijnheer Klomp kon naar huis om daar te sterven, maar zijn familieleden hadden dat liever niet. Hij lag in een niemandsland waar men tussen half zeven en half acht op bezoek mag komen om de tijd te vullen met gesprekken die niemand eigenlijk wil. Ik heb nu eenmaal iets met het drama van de dood. Dus over mijnheer Klomp schrijven lag erg voor de hand.
De acteurs van het Werktheater hadden mijn verhaal gelezen en improviseerden naar aanleiding daarvan enkele scčnes. Ik was er soms bij en moest dan met hen mee doen. "Wil je de dokter van mijnheer Klomp spelen?" vroegen ze me. Het was geen acteren wat ik deed. Meer een soort functioneren. De details van wat er allemaal gebeurde herinner ik me niet precies, maar op een goede dag waren er try-outs, daarna een premičre en vervolgens moest ik elke avond in een bus naar een ziekenhuis of theater in ons land omdat het stuk daar werd opgevoerd. 'Als de dood' heette het toneelstuk. Ik kan me niet herinneren of er momenten waren waarop ik nadacht of ik het eigenlijk wel wilde, of dat ik nog terug kon komen op de beslissing elke avond in een toneelstuk te spelen. Ik was gewoon een van de spelers geworden.
In 'Als de dood' zat een scčne waarbij een vrouw met de ziekte van Kahler een vrouw met kanker die bang is om te sterven troost. Ze gaat bij haar in bed liggen, neemt haar in haar armen als een klein kind en zegt: "Zie je deze kamer?"
De vrouw knikt.
"Zie je ons liggen in dit bed?"
De vrouw knikt weer.
"Kijk eens naar jezelf."
De vrouw kijkt.
"Doe nou je ogen eens dicht."
De vrouw sluit haar ogen.
"Wat zie je nu?"
"Niets," zegt de vrouw. Dan volgde een lange stilte. Ik had geleerd dat goed acteren het laten vallen van diepe betekenisvolle stiltes is.
"Wat je ziet," zei uiteindelijk de troostende vrouw. "Gaat dood. Het verdwijnt. Maar wat kijkt…"
De toeschouwers waren doodstil. Men durfde zelfs niet te diep te ademen. Iedereen begreep natuurlijk dat wat kijkt blijft. Zelf denk ik niet dat er voor iemand die eenmaal overleden is, leven is na de dood. Een oudere Indische dame, kennis van mijn schoonfamilie, heeft eens gezegd dat ik in een van mijn vorige levens een belangrijke man in Azië was. Wat leuk, dacht ik, als het maar niet Van Heutz was, maar liever iemand zoals Multatuli - maatschappelijk bewogen, creatief -, maar ik hecht er weinig waarde aan.
Pas zat ik in de tuin en zag ineens mijn reflectie in de ruit. Bruin, met erg grijs haar. Nog redelijk getraind door de vele kilometers hard lopen. Dat verdwijnt dacht ik. Het lichaam zal aangetast worden door cellen die ik nooit heb uitgenodigd. Maar wat kijkt dat blijft.
Alleen ben ik dat zelf niet. Aan Kaja, mijn zoon, zei ik omdat hij schrok toen ik hem een paar maanden geleden vertelde wat er met me aan de hand was: "Maar ik zal nooit uit je leven verdwijnen." En ik loog niet.
Mijn vader overleed in 1977. Ik herinner me niet of hij me wel eens in 'Als de dood' heeft zien optreden. Vermoedelijk wel, maar hij moet zich ongetwijfeld afgevraagd hebben wat een afgestudeerd arts in een theaterstuk te zoeken heeft. Sinds hij overleed is er geen dag geweest dat ik niet aan hem dacht. In mijn verbeelding had ik vaak gesprekken met hem. Hoewel hij toen hij nog leefde zijn Joodse accent bewaarde voor Sam en Moos grappen, praat hij tegenwoordig meestal alsof alles een grote grap is: mesjogge, ponem, mazzel hebben. Hij zit dan in zijn lievelingsstoel, zoals alleen hij daarin kan zitten. Het ene been over het andere. De armen steunend op de leuningen. Zijn vingers bewegen. Ik weet wat hij gaat antwoorden als ik mijn vragen stel. Dus ik bespaar hem en mezelf de moeite woorden te vormen die overbodig zijn. Soms, als ik verdrietig ben denk ik met opzet aan hem omdat ik daar blij van word, want hij zegt altijd zijn vertrouwde dooddoeners, spreuken voor WC-tegeltjes. Als ik pijn had of ziek was zei hij "het gaat wel weer over voor je een meisje bent". En als ik niet van ophouden wist bij het discussiëren zei hij "ja, ja, je hangt recht met je kromme benen".
Chinezen geloven in de geesten van de voorouders. De kinderen en kleinkinderen moeten voor het graf zorg dragen en elke week wierook branden. Dat gaat door tot de vijfde generatie. Tot dat moment bestaat de voorouder nog in de verbeelding van de nakomelingen. Daarna is er niemand meer die hem heeft meegemaakt en zelfs de mensen die wel eens over hem vertelden zijn verdwenen.
Zo zal het wel zijn: dat wat kijkt zijn degenen die achterblijven en daaraan danken we het leven na de dood. Die houden de voorvaderen in leven. Misschien kunnen huisdieren het ook doen, maar daarover is mij niets bekend.
Ik heb de laatste maanden nog meer contact met mijn vader dan in de afgelopen vijfentwintig jaar. Hij is ook zo heerlijk duidelijk in zijn reacties. Als ik hem vraag waarom dit allemaal met me gebeurt, dan is hij net zo overtuigend als hij altijd geweest is.
"Daarom," zegt hij.
"Nee zeg iets," hou ik vol. "Waarom in hemelsnaam?"
"Waarom, waarom," zegt hij dan. "Waarom zijn de bananen krom?"
"Daar heb ik niets aan papa," zeg ik.
"Ach jongen," zucht hij. "Alles komt nu eenmaal zoals het komen moet."


Terug