| Week 29 Bij mijn post zat deze week een brief met als onderwerp 'premievrijmelding' waarin ik lees: "Geachte heer/mevrouw Wolffers, Voor uw Uitvaart Geldverzekering van AMEV is binnenkort geen premie meer verschuldigd. Hieronder treft u de gegevens aan." Onder aan de brief lees ik dat het verzekerde bedrag vierhonderdvierenvijftig Euro is. Mijn ouders hebben ooit een dergelijke verzekering afgesloten. Het kwam voort uit de degelijke gedachte dat wie een kind op de wereld zet, ook verantwoordelijk is voor de uitvaart. Toen ik zelfstandig ging wonen was er dan ook geen sprake van dat ik de verzekeringspremie zelf zou gaan betalen. Niet dat ik daar erg op aan heb gedrongen. Ik herinner me ooit een man op bezoek te hebben gehad die vertelde dat het door mijn ouders verzekerde bedrag volledig onvoldoende was voor een beschaafde begrafenis. Omdat ik hem zo snel mogelijk de deur uit wilde hebben om verder te kunnen schrijven, zei ik snel ja tegen zijn voorstel om nog een extra verzekering af te sluiten. Dat moet deze zijn. Jaarlijks heb ik tien Euro en zesentachtig cent betaald, zodat als ik begraven word er koffie met een boterkoekje gepresenteerd kan worden. Door die brief lijkt het of de wereld klaar met me is. Maar ik ben nog lang niet klaar met de wereld. Een paar weken geleden moest ik met iemand overleggen over het samen gaan van twee afdelingen op de universiteit. Van tevoren had ik laten weten wat er met me aan de hand is. Ik kan wel doen alsof ik er altijd zal zijn, maar dat is misschien niet eerlijk. De man keek me gedurende het hele gesprek geen enkele keer in mijn ogen, sprak door me heen als ik dingen zei die hem niet uitkwamen en na afloop van het gesprek zei hij tegen een van mijn medewerkers dat ze na de fusie onder hem zou functioneren. Ik bestond voor hem al niet meer. Maar loopt die man ook acht kilometer hard per dag? Maakt hij elke dag een ronde door zijn tuin om te zien welke planten wat meer aandacht nodig hebben? Schrijft hij elke dag in zijn dagboek over alles wat zo belangrijk is? Leeft hij meer dan ik? Hij denkt toch niet dat ik het zo maar op geef! Tijdens een radio-interview op de zaterdagochtend vroeg een van de presentatoren hoe het met me ging. Hij is zo'n ondervrager met een warme stem die iedereen aan weet te zetten om alles te vertellen. Daarom zei ik het. Zo maar, twee minuten voordat we life zouden gaan om te praten over iets dat hoognodig moet gebeuren met de medicijnen in Nederland. Toen het gesprek afgelopen was en vijf minuten voordat een volgende gast ondervraagd zou worden over wat er allemaal in China plaats vindt, deed de interviewer zijn koptelefoon af, stond op, pakte me beet en zei: "Je gaat er toch wel voor; met alles erop en eraan?" "Wat dacht je?" antwoordde ik. "Natuurlijk." Er is geen haar op mijn hoofd die erover denkt om het leven dat me zo bevalt niet op wat voor manier dan ook te rekken. De laatste tijd moet ik vaak denken aan de eerste keer dat ik naar een feestje ging. Ik zal een jaar of vijftien zijn geweest. Alles wat ik voor die tijd aan feestelijkheid had meegemaakt waren kinderverjaardagen. Het belangrijke verschil tussen kinderverjaardagen en feestjes was het dansen en dat had weer alles met onze beginnende seksualiteit te maken. Een feestje waar gedanst werd heette toen nog niet 'sensation' of 'party', maar fuif en op je vijftiende, was je eigenlijk iets te jong om erheen te gaan. Wat ook een opvallend verschil is met huidige feestelijke bijeenkomsten, is dat het uiterlijk om twaalf uur afgelopen was. De fuif werd gehouden in een garage ergens bij ons in de buurt. Langs het plafond hingen visnetten. Er werd wierook gebrand. De geheimzinnige verlichting kwam van kaarsen die in lege chiantiflessen - flessen met een bolle buik in een rieten jurk, die door mensen uit Italië van hun vakantie als trofeeën werden teruggebracht - op tafeltjes stonden. De plaatjes die gedraaid werden waren van Cliff Richard, Elvis Presley en Conny Francis, maar ook van de West Side Story, want die film moest je in die tijd gezien hebben. Als ik zei dat ik de West Side Story twee keer gezien had was ik volledig eerlijk, maar ik maakte daarmee weinig indruk. Jaren later heb ik me afgevraagd of het wel klopte wat degenen zeiden die het over zeven of acht bioscoopbezoeken hadden. Dat wordt op den duur toch vreselijk saai. Mijn moeder had me gezegd dat ik om tien uur thuis moest zijn, maar om half elf was ik er nog. Ik vreesde namelijk dat het allerleukste precies als ik vertrokken was plaats zou vinden. Er was echter geen kans meer om daar achter te komen, toen op een gegeven moment mijn vader in de deuropening verscheen. Ik was boos op mijn ouders en de volgende dag huilde ik van kwaadheid, vooral omdat ze me zeiden dat ik voorlopig niet meer naar zulke fuifjes mocht. Misschien kwam het omdat in die tijd ouders nog geen verstand hadden van feestjes van jonge mensen. Het zal wel niet voor niets zijn dat mijn vader me later vertelde dat hij dacht dat de geur van de wierook die op de fuif gebrand werd, de geur van hasjiesj was. Mijn vader kon er niet tegen als ik huilde en zei "zit nou niet te janken" en mijn moeder liet me weten dat ze geen medelijden met me had. "Huil maar," zei ze. Nu geeft mijn moeder me elke keer als ze op bezoek komt een pak met witte zakdoeken. De stapel groeit snel. Ze zegt erbij: "Voor als je een vergadering hebt en je moet je neus snuiten. Dan moet je een mooie schone witte zakdoek hebben." Terug |