Week 30
Vrijdag de achttiende moest mijn dag worden. De afspraak stond in mijn agenda voor half elf genoteerd. Daarvoor wilde ik mijn dagelijkse routine afwerken. Ik ondervond geen oponthoud tijdens mijn hardloopronde. Geen losse veters. Geen noodstop in het bos om alle gezonde voeding die ik de dag ervoor gegeten had op tijd kwijt te raken. En toen ik door het rode voetgangerslicht ging, stopte een auto genereus voor me om mijn beenritme niet te onderbreken. Onderweg groetten maar liefst zes vreemden mij nadat ik naar ze had geglimlacht. Uitzondering was de postbode, die me ook groette, maar die ik wèl ken en die - zonder helm - op zijn bromfiets van brievenbus naar brievenbus racete omdat hij weer een hete julidag vreesde en snel klaar met zijn werk wilde zijn. Thuis waren er louter prettige e-mails over de ondergang van Afrika door aids en over bezuinigingen bij het onderwijs in eigen land, zodat we ons dom kunnen houden voor wat er even verderop gebeurt.
Na het douchen trok ik mijn gelukssokken - de donkerblauwe met kleine lichte puntjes, als een beloftevolle sterrenhemel - en geluksonderbroek - die Marion me onlangs gaf en me zo stoer vindt staan - aan. Ik was helemaal klaar voor het ziekenhuis. Na een half jaar trouw elke dag mijn medicijnen te hebben ingenomen, nooit meer een druppel alcohol te hebben gedronken, vlees te hebben laten staan en ook zuivelproducten te hebben gemeden moest ik minstens een bescheiden resultaat hebben geboekt in mijn strijd met de kwaadaardige cellen. En als dat het geval was, zou ik misschien bestraald kunnen worden.
Ik klom op de gynaecologische stoel en herinnerde me met enige vertedering hoe ik die eerste keer in december toen er een echo gemaakt werd tegen de dokter wilde zeggen "en is het een tweeling?", maar het niet deed omdat ik besefte dat alle doodsbange mannen dat waarschijnlijk zeggen om flink te lijken.
"Hier zit-ie," zei de arts tegen me en wees naar het scherm.
Tot de verpleegkundige zei hij: "Kan ik even zien hoe hij de vorige keer was?"
Vervolgens tot niemand in het bijzonder: "Het is aanzienlijk kleiner geworden."
Het is niet erg ontspannen om zonder broek en onderbroek, maar wel met sokken aan en met je benen in de lucht, terwijl in je anus een microfoon steekt waarmee je prostaat geïnterviewd wordt, een gesprek te voeren.
"Dat moest ook wel," zei ik toch maar. "Want ik hoefde de laatste tijd pas om half acht 's morgens naar de wc."
De arts keek me aan.
"Ja," zei hij. "Die problemen bij het plassen zijn natuurlijk een vervelende bijwerking, die gelukkig verdwijnt als de prostaat kleiner wordt."
Als hij dat een bijwerking noemde, wat was dan in hemelsnaam de hoofdwerking? Hij keek aandachtig naar het scherm en nam de maat op, ondertussen een poging ondernemend het gesprek voort te zetten.
"Ook nog bijwerkingen van de medicijnen?" informeerde hij.
"Behalve de gebruikelijke," zei ik, "een erg droge huid en ik hoef me veel minder vaak te scheren."
"Handig," zei de radiotherapeut, die meekeek, omdat hij mee moest beslissen of ik in aanmerking voor bestraling kwam en welke. "Dat lijkt mij ook wel iets."
De man kwam uit Azië en Aziaten hebben toch over het algemeen niet veel last van overmatige baardgroei, maar vermoedelijk vond ook hij de situatie wat ongemakkelijk.
"Nou het was drie komma één," zei de arts. "En nu is het één komma zeven."
Het klonk alsof ik in de vijfde klas zat en een grote stap voorwaarts had gemaakt bij het maken van staartdelingen. Ik zag deze arts voor het eerst, maar ik vond hem onmiddellijk aardig, ook al had hij me drie kwartier in de wachtkamer laten zitten, waar alleen Suske's en Wiske's op de leestafel lagen. Er moesten natuurlijk meer mensen deze vrijdagochtend gered worden.
Omdat ik in het afgelopen half jaar alles nagelezen had, wat me maar enigszins interessant leek op het gebied van de behandeling van mijn probleem, opperde ik allerlei mogelijkheden om te bestralen en methoden om uit te zoeken of de lymfeknopen vrij van kleine boosdoenertjes zijn. Telkens zei hij "ja dat is interessant, dat kunnen we doen", maar toen ik de spreekkamer verliet hadden we precies afgesproken wat de arts vanaf het allereerste moment het beste leek.
Buiten gekomen voelde ik me als Lance Armstrong na een alpenetappe in de Tour de France. Had niet een vriend van me in Los Angelos in december al gemaild dat ik een voorbeeld aan die wielrenner moest nemen, want die had na zijn behandeling vier rondes van Frankrijk gewonnen. Een gewonnen alpenetappe brengt de overwinning natuurlijk nog niet. Ik heb nog een paar behoorlijke ritten te maken, maar uiteindelijk krijg je niets in het leven voor niets. De arts had gezegd dat ik nu van T3, T2 geworden was. Dat is nog geen gele trui, maar al heel wat. Het schijnt dat die Armstrong vandaag, de achttiende, een tijdrit moet rijden en dat die beslissend is voor het mogelijk voor de vijfde maal winnen van de Tour. Ik hoop dat hij goed rijdt vandaag.


Terug