Week 31
Aanvankelijk meende ik dat ik de injecties die ik eens per drie maanden moet hebben, zelf kon uitvoeren. Het gaat om een lekkere dikke naald die in mijn buikspier gaat en daar een flinke voorraad medicijnen achterlaat. De eerste keren had de uroloog de prik gegeven. In januari rechts en in april links. Het is niet pijnlijk, maar ik vond toch dat ik wat al te stoer probeerde over te komen door het zelf te doen.
De uroloog wilde ik er niet meer mee lastig vallen en een huisarts had ik sinds ik het ouderlijk huis verlaten had niet meer bezocht. Dus besloot ik het aan Jan te vragen. Hij is de huisarts bij wie ik ooit in opleiding ben geweest. Een lange, dikke man met een groot hart voor zijn patiënten en het rotsvaste geloof dat de wereld van hem is. Alles wat hij de mensen die bij hem om advies kwamen af moest raden deed hij zelf.
"Kom maar even langs," zei hij via de telefoon toen ik een afspraak wilde maken. "Je weet dat ik onlangs een vijfvoudige bypass operatie heb gehad? Nou ja, we praten even lekker bij."
Met de fiets reed ik naar Utrecht, want het was prachtig weer. Bovendien leek het me gepast om te fietsen. Ooit in het begin van de jaren zeventig had ik met Jan daar immers een discussie over. Discussies hadden we vaak, want zomers liep ik op blote voeten door de praktijk, waardoor ik de bijnaam de blote voeten dokter kreeg en ik droeg vaak een tuinbroek van spijkerstof. Maar al te vaak hoorde ik als ik bij mensen op visite moest de heer des huizes spottend naar zijn zieke vrouw roepen: "De loodgieter is hier om je te onderzoeken."
Voeg daar nog eens aan toe dat ik geen tranquillizers of slaapmiddelen aan de mensen wilde voorschrijven en het is duidelijk dat ik heel wat moest verantwoorden bij Jan. Een van onze twistgesprekken betrof de kilometervergoeding die betaald werd voor het gebruik van de auto. Omdat ik een goed voorbeeld wilde zijn, deed ik, tenzij het stormde of sneeuwde, de visites op de fiets en eiste daar ook een kilometervergoeding voor. Jan vond dat onredelijk, maar ik was in die tijd al niet met wat voor argumenten dan ook af te remmen.
Er was nu een nieuwe praktijk en in de wachtkamer zag ik onmiddellijk dat alles waarover ik ooit enthousiast gesproken had omdat het volgens mij de huisartsenpraktijk van de toekomst zou zijn, er inmiddels was gekomen. Een psycholoog en een verloskundige hadden in de praktijk ook spreekuur en het leek een ontmoetingsplek voor de hele wijk op het gebied van alles wat met ziekte en gezondheid te maken had. Ik denk overigens dat de tijd dat had afgedwongen en niet de pleidooien die ik ervoor hield.
Het liep wat uit. Jan kon zich nooit aan de tijd houden omdat hij graag met mensen praatte. Eindelijk was het mijn beurt. Hij was ouder geworden, kwetsbaar ook, niet meer zo'n rots. De tijd had hem in de vingers gekregen. Op zijn bureau prijkten de foto's van kleinkinderen. Eerst mocht ik over mijn pech vertellen en daarna vertelde Jan over zijn hart. Ik kon het niet laten en zei: "Maar je bent nu toch eindelijk wel met roken gestopt?"
"Ja," zei hij. "Er is zo veel geld aan me uitgegeven. Ik kan het niet maken met roken door te gaan." Ik informeerde waarom hij niet met werken gestopt was.
"Ik hou er te veel van," zei hij. "Dat was niets, thuis zitten. En ik kon iets regelen met de anderen hier. Dus ik was weer snel terug."
Uiteindelijk haalde ik de injectie die ik 's morgens bij de apotheek gehaald had uit mijn rugzak en overhandigde die.
"Handig hè," zei Jan. "Met één zo'n injectie ben je voor drie maanden klaar."
Ik lag op de onderzoektafel en bekeek hem van de zijkant. Zijn dikke gezicht had niet veel structuur meer en zakte in elkaar waardoor hij op een teddybeertje leek. Met zijn leesbril las hij aandachtig de bijsluiter door. Hij stopte, probeerde de injectienaald te bewegen en blikte terug naar de bijsluitertekst. Vervolgens zochten zijn ogen zorgvuldig de plaats, net naast de navel, waar de injectie moest komen. En opnieuw boog hij zich over de tekst. Uiteindelijk maakte hij zorgvuldig mijn buik met alcohol schoon. Ik wilde nog zeggen dat hij het beter van zich af kon doen. Maar hij begon onhandig de naald in omgekeerde richting in mijn buik te steken. Zo'n pijn had het bij de uroloog nooit gedaan en ik sloot mijn ogen om niets te laten merken. Hij bewoog nog een beetje met de naald en leek ergens in de buikspier nog van route te willen veranderen.
"Deed het pijn?" vroeg hij.
"Nee hoor Jan," antwoordde ik. We moeten elkaar immers een klein beetje helpen.
De navel is het bewijs dat we sterfelijk zijn. Dat is een van de nutteloze dingen die ik hoorde op de Christelijke lagere school. Engelen hebben geen navel, maar mensen worden geboren en hebben dus wel een navel. Naast mijn navel zat de hele volgende week een grote blauwe plek ter grootte van een jampotdeksel, die mijn sterfelijkheid nog eens extra onderstreepte.


Terug