Week 34
"Bent u nog nooit geopereerd?" vroeg de zwaarlijvige verpleegkundige mij verbaasd tijdens het intakegesprek alsof ik iets volkomen belachelijks had gezegd. Ik voelde me onmiddellijk een beetje schuldig. Ik had haar graag iets geantwoord wat in haar wereldbeeld paste en haar zou geruststellen. Ze had een beetje steun nodig in haar leven. Alle lijnen in haar gezicht vertelden dat ze niet gelukkig was en wat ik ook zei, ik kreeg haar niet aan het glimlachen. Haar gezicht was bevroren in eenzame verdediging tegen wat de wereld te bieden heeft.
Ze was de tweede in het ziekenhuis met wie ik die middag moest spreken. In het totaal kreeg ik te doen met drie vrouwen. Het deed me een beetje denken aan de keer dat ik in Varanasi een travellers' cheque van twintig dollar moest wisselen. Eerst moest ik erg lang wachten en toen ik aan de beurt was ondervroeg de jongste bankemployee me. Ik moest vertellen wie ik was, waar ik vandaan kwam, in welk hotel ik verbleef, hoe lang ik in de stad zou zijn en wanneer ik het land weer zou verlaten. Het was allemaal vrij willekeurig en ik zou niet verbaasd geweest zijn als me gevraagd was te vertellen welke kleur onderbroek ik droeg. Ik zou die vraag ook braaf beantwoord hebben. Hij schreef alles in een groot dik boek en daarna moest ik in een veel te klein vakje in dat boek mijn handtekening zetten. Het was lastig want ik heb een grote handtekening. Vervolgens schoof de jongste employee het boek door naar een iets oudere man die naast hem zat. Deze stelde alle vragen opnieuw en telkens zette hij een klein vee'tje bij het antwoord als bleek dat het juist was. Nadat ook die horde genomen was, ging het boek naar een derde man, de oudste van het stel dat in de bank aanwezig was, en deze liep de hele vragenreeks nog eens met me door. Toen alles bleek te kloppen, mocht ik eindelijk de cheque tekenen. De kantoorchef vergeleek die met de handtekening in het te kleine vakje, schoof me een stukje papier toe, vroeg me nog eens te tekenen, haalde de twee collega's erbij en tenslotte zei hij dat hij de handtekeningen niet op elkaar vond lijken. Ik dacht door deze en andere ervaringen dat bureaucratie een Indiase uitvinding was, die in dat land ook tot de hoogste graad van verfijning was ontwikkeld.
Alle vragen die ik voor de anesthesie intake moest beantwoorden hadden op een geel formulier gestaan dat ik van tevoren zorgvuldig had ingevuld. Mijn kruisjes stonden allemaal in de juiste kolom, want alles was in orde met me. Ik rook niet, ik drink niet, ik heb geen klachten. Met wie ik er ook over spreek, ze vragen altijd waarom juist ik zoiets heb gekregen en noemen mensen die ik wel en niet ken, die volgens hen eerder aan de beurt zouden moeten zijn. Het idee dat ziekte een straf is, zit diep in mensen. Het is geen straf, maar een opdracht en uitdaging. Het mogelijk ongezonde gedrag van andere mensen heeft echter niets met dat van mij te maken.
Nadat alles ingevuld was moest ik netjes wachten tot ik een magere verpleegkundige met sproeten te zien kreeg. Zij keek mijn antwoorden vluchtig door, stelde hier en daar nog een vraag en leek snel tevreden. Het woord deeltijd drong zich bij het zien van de vrouw aan me op en ik wist dat ze zich mij 's avonds niet meer zou herinneren, maar ik haar wel. Zij bleek behalve mijn antwoorden te moeten controleren ook als taak te hebben mij grondig voor te lichten.
"Dan komt u op de gang een verpleegkundige tegemoet, met wie u dan naar een ruimte gaat waar u geschoren zult worden," zei ze en meer van die dingen waar ik volstrekt niet in was geïnteresseerd. Het leek me dat ik zoiets vanzelf wel zou merken. Geen enkel detail van de handelingen die men vooraf aan de operatie met mij gaat verrichten, bleef me bespaard. Ik luisterde maar half en miste daardoor informatie die achteraf wel van belang bleek te zijn. Bijvoorbeeld: wanneer het bezoekuur is. "Heb je daar niet naar gevraagd?" vroeg Marion later en ik wist werkelijk niet hoe ik haar uit moest leggen hoe het kwam dat ik zo'n belangrijk detail gemist had.
De derde gezondheidswerker die middag was de anesthesist, een jonge vrouw, die de antwoorden die al twee keer die dag waren bekeken grondig doornam en het geheel samenvatte met de woorden: "U bent verder dus gezond." Dat viel niet te ontkennen. Ze moest me vragen of ik akkoord ging met een ruggenprik omdat daarmee de anesthesie beter geregeld kan worden en ze had duidelijk geen zin in een weigering.
"We doen altijd een ruggenprik," zei ze. "Dat is technisch beter. Ja, je hebt mensen die het niet willen. Daarom moeten we het voor de zekerheid altijd even vragen."
"Doe maar," zei ik, want ik verlangde er ineens heel erg naar om thuis in de tuin thee te drinken.
Dat verlangen naar thee in mijn tuin was eigenlijk al begonnen eerder die middag, toen de zwaarlijvige verpleegkundige, die me zo ongelukkig leek, me behalve ondervragen ook nog even moest onderzoeken. Ze kondigde alles wat ze ging doen duidelijk aan om geen verwarring te veroorzaken.
"Ik ga nu even naar de longen luisteren," zei ze. "Nee, u hoeft uw shirt niet helemaal uit te trekken. Een beetje omhoog is wel genoeg." Dat ik een meter vijfentachtig lang ben, geloofde ze op mijn woord, maar toen ik mijn vermoedelijke gewicht zei, stond ze erop dat even te checken.
"Ja, maar het is erg warm, u heeft alleen een T-shirt en een korte broek aan. Anders zou het wel meer zijn," zei ze kritisch. "En uw bloeddruk?"
"Die is altijd goed," antwoordde ik.
Ik legde haar niet uit dat ik elke dag acht kilometer ren en als het maar even kan een tennispartijtje met Marion speel. Daarnaast fiets en wandel ik graag. Deze prachtige zomer heb ik dat alles nog eens extra intensief gedaan, want ik wil in top conditie zijn als het er echt op aan gaat komen. Bruin en goed afgetraind zat ik tevreden en trots in haar spreekkamer. Kom maar op met die laparoscopie!
"Dat zullen we dan toch maar even controleren," negeerde de verpleegkundige mijn optimisme.
Ze pakte de bloeddrukmeter en deed de zwarte manchet om mijn bovenarm. De witte jas die ze over haar zomerse kleding droeg viel open. Misschien kon die witte jas wel niet meer dicht door haar omvang.
"Honderdvijftien over zeventig," zei ze.
Ik zat daar met die prachtige bloeddruk, met alle kennis die ik in de loop van mijn leven in mijn hoofd heb opgeslagen en die zo maar dreigt te verdwijnen, met beelden en ervaringen uit de hele wereld die me vormen tot wie ik ben, met duizend ideeën die ik nog uit wil werken, met de wetenschap dat er veel mensen zijn die van me houden en elke dag aan me denken om me een beetje te steunen. Ineens ontsnapte het me. "Wat jammer allemaal hè," zuchtte ik.
Streng en gehaast zei ze: "Dat mag u niet zeggen. Het is voor iedereen erg als zoiets gebeurt."


Terug