Week 37
In mijn krant las ik dat Ron Hunt uit Truckee in California, tijdens het werken met een elektrische boor, van de trap gevallen was. Hij kwam boven op zijn gereedschap terecht. Daarna voelde Ron Hunt de zevenenveertig centimeter lange boor zowel aan de voor- als aan de achterzijde van zijn hoofd en begreep dat er iets niet orde was. Het was zijn tijd echter nog niet en daarom leeft hij nog, zij het met een oog minder. Zijn artsen spraken over een wonder.
Het zou twee weken duren voordat ik kon horen of het kwaad ook in de lymfeknopen, die operatief een week daarvoor verwijderd waren, zit. Als dat het geval is, is het proces al te ver om nog te hopen met plaatselijke maatregelen iets te bereiken en rest me slechts de chemotherapie.
"Kan dat niet sneller?" vroeg ik aan mijn arts.
"Er staan tien werkdagen voor," antwoordde hij met enige spijt in de ogen en ik kreeg een afspraak voor vijftien dagen later.
Mijn Belgische vriend reageerde verbijsterd: "Moeten die Nederlanders daar echt zo lang over doen?" Kennissen in Amerika schreven me hoe snel het in hun land gebeurt. Maar ik woon hier en na acht maanden zonder die specifieke kennis, had ik ook nog wel twee weken extra geduld. Marion kon die week echter 's nachts niet slapen en bedacht allerlei plannen om het proces te versnellen. Het was dat ik nog wat bij moest komen van de ingreep, want anders had ik waarschijnlijk al op een vliegtuig naar de Verenigde Staten gezeten.
Het is de Nederlandse volksaard. We laten ons niet gek maken en alles kan altijd erger. Mijn vierenzeventigjarige schoonmoeder fietste vorige maand acht kilometer om de uitslagen van een onderzoek te horen. Van haar chirurg wilde ze dolgraag weten of het bloed dat uit haar tepel komt betekent dat de beginnende kwaadaardigheid die twee jaar geleden uit haar borst was gehaald, terug is gekomen. De man was zo vreselijk druk dat ze niet om vier uur, maar pas tegen halfzes aan de beurt was. Hij zocht de gegevens van de mammografie en werd boos dat die niet door het andere ziekenhuis opgestuurd waren.
"Kom volgende week maar terug," zei hij vriendelijk tegen mijn schoonmoeder. Ze is gek op die arts omdat hij zo aardig is. "Kwaad dat hij was op dat andere ziekenhuis," zei ze.
Tegenwoordig volgen artsen cursussen in het 'moeilijke gesprek', maar begin jaren zeventig - toen ik geneeskunde studeerde - vertelde de arts gewoon helemaal niets. Mijn studie was geweldig, maar die jaren in het ziekenhuis vond ik moeilijk. De pretentie altijd met iets vreselijk belangrijks bezig te zijn, gekoppeld aan de machteloosheid door de eindigheid der menselijke kennis, resulteerde in een vorm van bedrog die ik niet goed in mijn persoonlijkheid wist te integreren. Als er in de middag niets meer te doen was en mijn medestudenten gingen biljarten in de recreatieruimte van de interne verpleegkundigen om schijnheilig op te kunnen duiken en te doen alsof ze vierentwintig uur per dag bezig waren met de redding der mensheid, sloop ik naar huis om met Kaja te spelen. Beter één mens gelukkig gemaakt dan gefaald in mijn pogingen om tien doodsbange mensen wijs te maken dat er niets aan de hand is.
Veel uit die ziekenhuisjaren heb ik verdrongen, maar het komt allemaal terug als ik nu in het ziekenhuis ben. Ik besef dat ik er veel heb geleerd.
De verpleegster moest de katheter er bij mij uit trekken. "Het is even een onprettig gevoel," waarschuwde ze. Dat bleek een eufemisme en ik greep de zijkanten van het ziekenhuisbed stevig beet. Ineens zag ik weer helder de oude man voor me die zich in de polikliniek kwam melden. Als een exhibitionist schoof hij zijn regenjas open. Zijn geslachtsdelen hingen uit zijn gulp en uit de penis kwam een stukje rood plastic van een centimeter of vijf te voorschijn. De medische boeken die ik moest bestuderen om door de tentamens te komen, hadden me hier niet op voorbereid. Zijn verhaal kwam er net zo moeilijk uit als het plastic koord. Om zichzelf te prikkelen had hij een waslijn bij zichzelf naar binnen geschoven en de tweeënhalve meter draad was in zijn blaas uiteindelijk in de knoop geraakt. Nu pas wist ik wat hij gevoeld had toen we met metalen sondes langzaam maar zeker de plasbuis steeds verder oprekten - twee millimeter, vijf millimeter, tien millimeter - totdat we uiteindelijk met een laatste krachtsinspanning de draad met de knoop erin los konden trokken. Ik heb het stuk draad een tijdje bewaard en het verplichte praatje dat we eens in de twee weken voor onze medestudenten moesten houden besteedde ik aan dit geval. Daarin moest ik natuurlijk precies vertellen hoe we het vreemde object eruit kregen, maar in werkelijkheid was ikzelf vooral gefascineerd door de eenzaamheid en het verlangen van mensen die hen ertoe drijft zoiets naar binnen te willen brengen.
In het ziekenhuis vorige week was er nog zo'n moment van herinnering toen ik mijn vis wilde eten. Een beetje onhandig en gehinderd door het infuus pakte ik de lepel waardoor ik er van voren tegenaan keek. Het zag eruit als de röntgenfoto dertig jaar geleden van de man die een lepel had ingeslikt. Hij keek me grijnzend aan.
"Dat moeten jullie nu opereren," zei hij. De man probeerde indruk op me te maken. Hij trok zijn hemd omhoog en toonde een wirwar aan littekens.
"Al dertig keer," zei hij. "Elke keer als ik het niet meer uithoud in de gevangenis slik ik zoiets door. Dan opereren ze me. Als ik bij kom na de operatie trek ik op een gegeven moment het infuus eruit en ik loop weg."
Hij voelde mijn interesse en gaf me nog een wijze les mee voor mijn verdere leven: "Nooit een vork in slikken, want die blijft halverwege steken en dan halen ze hem er met zo'n grijpertje via je slokdarm uit en dan ga je daarna onmiddellijk terug naar de gevangenis."
Hij zag mijn vragende ogen en voegde toe: "Ach, geloof maar van mij, pijn doet geen zeer. Maar als ze je hart raken…."
Neem dit van mij aan, ik heb veel geleerd in het ziekenhuis.
Op dezelfde dag dat ik over Ron Hunt las, merkte ik dat mijn penis steeds blauwer werd. Blauw is eigenlijk het woord niet. Paars, dat was het. Het leek me vervelend om op een dag, na geplast te hebben, ineens mijn trouwe kameraad los in mijn handen te houden. Daarom belde ik de arts in het ziekenhuis op.
"Ik heb iets dat op een bloeding lijkt," legde ik uit. "Maar kan dat wel, want we zitten al zes dagen na de operatie?"
Hij stelde me snel gerust en legde uit dat het lekkend bloed uit de onderste operatiewond was en dat het zich op de laagste plaats verzamelt.
"En heb je toevallig de uitslag van die lymfeknopen?" vroeg ik.
"Ik zit net in de computer te kijken," zei hij. "Ja. Ja, het is er."
"En?" informeerde ik.
"Ik vertel dat liever niet via de telefoon," antwoordde hij.
Ik hielp hem over zijn schroom heen.
"Geen tekenen van kwaadaardigheid," zei hij.
"Dat is toch leuk nieuws," zei ik.
"Ja, maar via de telefoon…", sputterde hij tegen.
Die boor hebben ze gewoon uit Ron Hunt's hoofd teruggedraaid. Het was alsof ze de tijd terugdraaiden en wat gebeurd was ongedaan maakten. Jammer van zijn oog.


Terug