| Week 40 Er zaten twee duiven in een van de bomen in onze tuin. Ze gingen steeds dichter bij elkaar zitten en wreven opgewonden hun blauwe lijfjes tegen elkaar aan. Af en toe raakte een van de twee zo van slag dat hij met veel vleugelmisbaar achterop de ander probeerde te klimmen. Zo zijn mannetjes nu eenmaal. De vrouwtjesduif was daar niet van gediend en vloog snel naar een andere tak, direct achtervolgd door het mannetje. Op die andere tak herhaalden alle gebeurtenissen zich, alsof ervoor niets was gebeurd en het was overduidelijk dat het mannetje het nooit zou leren. Ineens zag ik dat op een andere tak in dezelfde boom een derde wat grotere grijze duif zat toe te kijken. Op een gegeven moment vloog de vrouwtjesduif naar een tak juist onder die waarop de grote duif zat. Hij zag zijn kans schoon en wipte vlug over. De eerste duif was te laat om zijn plekje bij het vrouwtje in te nemen en moest toekijken hoe de hofmakerij nu ineens tussen zijn vrouwtje en de vreemde duif plaats vond. De afgewezen duif begon zich nu enorm uit te sloven en vloog wilde krullen rond de boom. In een van zijn exhibitionistische capriolen vloog hij met een knal tegen het raam van mijn werkkamer. Het geluid klonk dramatischer dan de botsing in werkelijkheid was, maar mijn vriend de duif was er wel door aangeslagen en vloog naar een boom wat verder op, vanwaar hij verder sip zat toe te kijken. Af en toe denk ik aan die duif, want door de hormoon onderdrukkende behandeling kan ik niet altijd meer wat ik wil. Uitsloverige duif als ik ben, wilde ik met alle geweld een grote kist die voor Marion gebracht was in mijn eentje naar haar werkkamer dragen. Het was nog maar vlak na de operatie en Marion riep bezorgd dat ik het niet moest doen. De volgende dag voelde ik iets in mijn rug, maar dacht dat ik toch wel met Marion kon tennissen. Met wie moet ze dat anders doen? Wij spelen al jaren eigenlijk alleen tegen elkaar. 's Avonds kon ik niet meer uit mijn stoel omhoog komen en dagen lang was ik tot weinig in staat. Alles deed pijn en mijn spieren waren stijf, alsof ik met een knal tegen het raam was gevlogen. Marion verzorgde me, hoewel ze liever eindelijk was begonnen met het schrijven van de roman die zich al een tijdje in haar hoofd opdringt. Ze vindt echter dat ik nu voor ga en vrienden noemen haar al in hun mailtjes Florence Bloemindale. Het vervelende is dat al lange tijd er altijd wel iets is waardoor ze geen tijd heeft om dat prachtige boek dat al helemaal in haar hersenen klaar ligt te gaan schrijven. In haar ogen denk ik te kunnen lezen dat ze zich af vraagt wanneer ze eindelijk weer eens met haar eigen leven mag beginnen. Zodra ik mijn rug wat minder voelde probeerde ik te koken en af te wassen en toen ik Marion in haar adressenboekje naar telefoonnummers zag zoeken van mensen die ze zou kunnen bellen om tegen te tennissen, verklaarde ik mezelf genezen. Na twee paracetamolletjes te hebben geslikt ging ik met Marion naar de tennisbaan. Al na tien minuten was het wel duidelijk. Die rug was nog lang niet hersteld, maar ik wilde Marion niet teleurstellen. Daarom tenniste ik nog een uur lang door. De groundsman van onze vereniging, een Amerikaan die hier ooit gelegerd was en verliefd was geworden op een Nederlandse vrouw en daarom Nederland niet meer verlaten had, kwam bij ons staan. Hij informeerde waarom ik bij elke bal die ik verkeerd sloeg 'sorry' zei. "Het gaat niet goed," zei ik. "Ik heb teveel last van mijn rug." Hij richtte zich tot Marion en zei meesmuilend: "Dan moet je een nieuwe tennis mate zoeken." Ik had geen zin meer om verder te spelen. De volgende dag moest Marion naar België om daar voor te lezen. Ik had beloofd om mee te gaan. We zouden in Antwerpen blijven slapen. Natuurlijk wist ik dat een lange autorit het er allemaal niet beter op zou maken, maar wat doe je als je als duif op jouw plek wilt blijven zitten? Na het weekend in Antwerpen was de rugpijn ondraaglijk geworden. Vooral 's nachts moest ik er een paar keer uit om wat rond te lopen en oefeningen te doen om de stijfheid te verminderen. Het lukte me daarbij niet om geheel geruisloos te blijven. Marion vroeg me geërgerd: "Waarom moet je ook zo nodig al tennissen?" En: "Je weet toch dat zo'n autorit niet goed voor je is? Waarom moet je dan ook nog zo nodig achter het stuur kruipen? Je bent zo'n macho." Midden in de nacht ondernam ik maar geen poging uit te leggen wat duiven gaan doen als ze van hun tak verdreven zijn. Ik ging naar de logeerkamer om Marion zo min mogelijk te storen. Het lukte me in slaap te vallen, maar ik bleef onrustig omdat ik de pijn ook in mijn slaap voelde. Ik droomde dat ik mijn huis moest onderhouden. Het was veel werk. Ook als ik niet droom is dat een nachtmerrie voor me omdat ik absoluut niet handig ben en zelfs als een bezoeker een knop van de wasmachine heeft ingedrukt waardoor deze niet meer centrifugeert, ik de elektricien moet bellen. Die drukt de knop weer goed en gaat fluitend naar huis. Mijn huis onderhouden staat dus voor een uitzichtloze strijd die ik gedoemd ben te verliezen. In deze droom waren er bovendien allerlei kleine monstertjes die vanuit de gekste plekken te voorschijn kwamen en met het vernielen van mijn huis begonnen. Ik probeerde ze te vangen, te schoppen, bang te maken, maar het lukte me niet om mijn huis tegen ze te beschermen. Er waren er gewoon te veel. Vervelend was dat ze ook nog uit het hoofd van mensen die ik vertrouwde te voorschijn kwamen en toen ik eindelijk een vriendelijke aannemer in de arm had genomen om alles grondig aan te pakken, bleek dat er ook uit die blonde glimlachende man monstertjes te voorschijn kwamen. Het was allemaal zo hopeloos dat ik besefte dat het beter was om wakker te worden en weer een beetje rond te lopen zodat mijn rug wat losser werd. De volgende dag moest ik voor een intakegesprek naar de radiotherapeut die me zal gaan bestralen. "Waar is uw grootvader aan overleden?" wilde hij onder andere weten en meer van die opmonterende vragen. Uiteindelijk biechtte ik ook op dat ik een beetje pijn in de rug had. "Ik ben erdoorheen gegaan," legde ik uit. "Weet u het zeker?" informeerde hij. "Het kan natuurlijk ook een uitzaaiing zijn." Ik wist dat ik het al die tijd niet had willen denken, maar nadat het gezegd was werd de pijn minder. Het was alsof ik door die mogelijkheid te aanvaarden verlost werd van de spanning die me dagen lag in de greep hield. Langzaam maar zeker kwam mijn goede humeur weer terug. Ik bedacht me dat de grote grijze duif die de uitsloverduif had verdreven misschien wel de echte partner van de vrouwtjesduif was geweest, dat de vrouwtjesduif de aandacht van die uitsloofduif wel prettig vond, maar dat gehop achter haar niet en dat ze blij was dat ze terug bij haar eigen grijze duif op de tak zat. Terug |