Week 41
Als ik niet op reis ben, zit ik thuis achter de tekstverwerker of ik denk na over wat ik wil gaan schrijven. Daarbij loop ik te ijsberen, zoekend naar woorden en de route gaat van de theepot naar de koekjestrommel naar mijn bureau en weer terug. Kinderen op school vragen elkaar wat hun vaders doen en Kaja vond het moeilijk ze een antwoord te geven. Hij informeerde of ik niet "gewoon net als andere vaders" 's morgens naar mijn werk, bijvoorbeeld een dokterspraktijk, kon gaan. Mijn moeder heeft inmiddels geaccepteerd dat ik een arts zonder patiënten ben, maar als ik haar aan de telefoon heb vraagt ze me nog altijd "moet je niet college geven?".
Veel colleges geef ik niet, maar ik ben wel druk met het organiseren van onderwijs voor artsen zodat ze beter omgaan met patiënten met een andere culturele achtergrond. Dat lijkt heel gemakkelijk, maar dokters vormen een bijzondere soort. Ze hebben op de doktersmulo - zo noem ik dat graag als ik artsen moet toespreken - moeten leren om hun onwetendheid en onzekerheid te verbergen achter moeilijk klinkende woorden en een arsenaal aan schijnzekerheden. Communiceren begint echter met goed luisteren en dat is niet gemakkelijk als je erop gespitst bent een antwoord te geven, omdat je denkt dat je overal iets over moet kunnen zeggen zodat het consult voorbij is en je een volgende patiënt kunt binnen roepen. Voor de cursussen die we organiseren kunnen we wel mensen krijgen die vanuit de theorie precies kunnen vertellen over allochtonen die bij de dokter komen. Daarbij worden mooie woorden gebruikt zoals 'etnosensitiviteit', 'interculturalisatie' en 'culturele vaardigheden', maar het is moeilijk een arts te vinden die met oprechte zelfkritiek vanuit zijn praktijk vertelt wat er fout gaat en hoe hij dat probeert op te lossen.
Vorige week mocht ik voor het eerst naar de radiotherapie. Het was nog geen bestraling, maar het begon er al een beetje op te lijken. Er moesten goudzaadjes in mijn prostaat worden aangebracht zodat deze tijdens de behandeling altijd gemakkelijk terug te vinden is.
Een dag ervoor moest ik komen voor een gesprek. Het is een sombere afdeling die radiotherapie. Buiten staan de taxichauffeurs in de zon sigaretjes te roken. Ze wachten tot ze hun klanten weer naar huis kunnen brengen. Binnen is alles neutraal grijs geschilderd met hier en daar een groene baan die geen aanstoot kan geven. Het personeel is er zo vriendelijk dat je het gevoel krijgt al in een rouwcentrum te zijn aangeland, waar een warm en begripvol woord zeer op prijs wordt gesteld.
In de wachtkamer ging ik zo ver mogelijk bij andere mensen vandaan zitten. Ik wil ze liever niet van dichtbij zien en geen flarden van hun gesprekken opvangen. Liever hoor ik bij de mensen die buiten gewoon doorgaan met hun werk, de liefde bedrijven, ruzie maken, een mooie film zien, een rotboek lezen of dromen over verre vakanties. Ja, ik zou best een van die taxichauffeurs willen zijn.
Mijn radiotherapeut had een mooie zwarte snor en zei: "Ik kom uit Iran en ben acht jaar geleden naar Nederland gekomen. Ik heb een probleem met uw moeilijke taal en soms moet ik u wel eens twee of drie keer iets vragen omdat ik het niet helemaal begrepen heb."
Zijn ogen twinkelden. Zijn woordkeus was inderdaad beperkt, maar dat maakte zijn uitleg niet onduidelijk.
"Wij moeten iets ruimer bestralen dan alleen de prostaat. We pakken dus een stuk van de blaaswand mee. Daar kunt u bloed door in de urine krijgen en ook blaasontstekingen. Meestal gaat dat na een paar maanden weer weg. We raken ook de wand van de darm. Daar ontstaat een litteken en dat kan ook problemen geven omdat het telkens weer open gaat. Ook dat geeft bloedinkjes. Bij sommige mensen blijft dat altijd. Ongeveer zeventig procent van de mensen zegt dat ze last krijgen van vermoeidheid. Ik denk dat het mee valt; dat het niet door de bestraling komt, maar door dat ze het vervelend vinden om hier elke dag te komen. Ze zien hier de mensen die werken en wel eens chagrijnig zijn en andere patiënten die er vaak erger aan toe zijn. Ze kijken, vergelijken en gaan nadenken. Het duurt ook allemaal zo lang. Op een gegeven moment zien ze het niet meer zitten."
Na de opsomming van de vervelende dingen vroeg Marion hem of de bestraling ook effectief zou zijn. We hadden samen met Kaja op het Internet gezocht en waarschijnlijk alles wat we erover konden vinden en een betrouwbare indruk maakte wel gelezen. De artsen die ik tot nu toe gezien had konden we daarover weinig ontfutselen. De eerste uroloog zei dat ik moest denken aan een vooruitzicht tussen twee jaar en achttien jaar. Voor de rest raadde hij ons zijn website aan. De uroloog waar ik nu steeds mee heb te maken, blinkt uit in vaagheid en is wereldkampioen in het maken van ontmoedigende opmerkingen. Hij laat zich helemaal niet verleiden tot een prognose en lijkt vanaf het begin te twijfelen aan de zin van bestraling. Hij is bezig met een zoektocht naar de waarheid en dat lijkt enige compassie uit te sluiten.
"Ik heb geleerd om voorzichtig te zijn met voorspellingen," zei de radiotherapeut. "Toen ik jong was dacht ik dat ik alles wist, maar ik leerde snel. Ik zei aan iemand dat hij nog twee jaar te leven had. Na drie jaar kwam hij bij me en zei 'U heeft mijn leven verwoest'. Wat kan een mens ervan zeggen? We hebben alleen maar beschikking over statistiek. In de literatuur wordt gezegd dat het ondanks de behandeling bij vijfentwintig procent van de mensen terug komt. En bij u is het ook nog uit het kapsel geweest. Het enige wat ik u wel kan zeggen is dat u moet vechten en van het leven genieten. Maak iets moois van elk moment want dat helpt u het best."
Zijn donkere snor glimlachte me toe en ik voelde me van binnen warm worden. Dat was vanwege die andere vijfenzeventig procent en ik zal toch niet voor niets op een zondag geboren zijn.
De volgende dag zag ik hem weer. Hij stond achter mijn uroloog die de goudzaadjes in mijn prostaat moest aanbrengen. In gezelschap van andere artsen bleek de Iraniër zwijgzaam. De uroloog deed steeds het woord. Met zijn lange naald ging deze via mijn anus naar binnen en schoot het eerste goudzaadje op z'n plek. Het maakte het geluid van een luchtpistool. Het gebeurde nog een keer.
Ik zweeg dapper en de uroloog vroeg me of het geen pijn deed. Domme vraag.
"Het valt wel mee," zei ik omdat ik op Marion, die in een hoek van de behandelkamer op een stoel zat en toekeek, een beetje indruk wilde maken.
"Nou," zei de uroloog triomfantelijk. "Ik zag toch anders uw tenen wel behòòrlijk samentrekken."
Ik had hem nog zo gezegd mij gewoon te tutoyeren. Achter zijn schouder zag ik de snor van de radiotherapeut. Hij kneep zijn twinkelogen dicht en glimlachte me gretig toe.
Misschien moet ik hem vragen eens college te komen geven over hoe je met mensen met een andere culturele achtergrond moet omgaan. Hij kan uitleggen hoe je met een beperkte woordenschat toch goed kan communiceren.


Terug