Week 44
"Trekt u uw schoenen en broek maar uit," zegt de vreselijk vriendelijke vrouw van de afdeling radiotherapie nadat ze me uit de wachtruimte heeft geroepen. "Dan kom ik u straks halen voor uw eerste bestraling."
Inmiddels ben ik er aan gewend geraakt om bij elk onderzoek en elke ingreep me weer te ontbloten omdat mijn prostaat nu eenmaal in een gebied ligt waar men, indien volledig gekleed, weinig kan beginnen. Het is of ik iemand geworden ben zonder geslachtskenmerken. Het doet er allemaal niet meer toe.
Voor die eerste bestraling heb ik een kleurrijk T-shirt aangetrokken waarop Nigeriaanse dorpsgeesten die alle kwaad afwenden zijn afgebeeld met de begeleidende tekst 'Save the world' in wel tien talen. Mijn persoonlijke boodschap is vooral 'Save the world FOR ME', want ik ben er nog niet klaar mee en die stralen zijn bedoeld om te zorgen dat ik gered word en met mij de wereld. Ik trek mijn hardloopschoenen uit. Zodra ik straks weer thuis ben, zal ik gaan rennen om te tonen dat ik er nog altijd ben. Mijn sokken moeten ook uit, vind ik. Een ontbloot onderlijf, maar wel sokken aan, ziet er nu eenmaal niet uit. Het is net zo erg als het dragen van lichtgevende trainingspakken en merkjes die uit shirtjes of hemdjes omhoog steken. Mijn devies is dat je je altijd overal behoorlijk moet presenteren. Je bent wat je draagt.
Als de dame de deur van mijn kleedhokje aan de andere zijde opent, heb ik alleen mijn T-shirt nog aan.
"We zullen beginnen met een korte rondleiding," zegt ze. "Kijk hier zijn televisiemonitoren waardoor we u voortdurend op de bestralingstafel kunnen zien. Als er iets is, kunt u wuiven en dan zijn we onmiddellijk bij u."
Het doet me denken aan een bezoek aan een naturistenkamp in Frankrijk. Kaja zal een jaar of drie geweest zijn. We wilden van alles meemaken en toen we een bordje naar de camping zagen zeiden we tegen elkaar "Waarom niet?" We hielden ons afzijdig, want in ons hart waren we niet overtuigd van het belang van het achterwege laten van elke kleding. Het werd erger toen het weer slechter werd en de kampeerders wel een trui of jasje aantrokken, maar het onderlijf in de vrije natuur lieten. Vooral bij de kampwinkel waar mensen toch wat dichter bij elkaar komen, was het verwarrend. Dat gold nog meer voor Kaja die de mensen niet in de ogen keek, maar vanuit zijn grootte een heel andere visie op ze kreeg. We zijn uiteindelijk snel vertrokken. Het paste niet bij ons.
"Dit is allemaal normaal", denk ik en zonder een spier in mijn gezicht te vertrekken volg ik de vrouw. Ze doet erg haar best me op mijn gemak te stellen in deze nieuwe omgeving, waar ik meer dan zeven weken elke dag te gast zal zijn. Hier en daar word ik aan iemand voorgesteld. Door de manier waarop ik rond loop, lijkt het echter of ik mee speel in de cartoon 'Fokke en Sukke bezoeken het ziekenhuis'.
Eindelijk kan ik op de tafel gaan liggen. Laat de stralen maar komen. Op het plafond heeft iemand twee affiches bevestigd. Een goed idee, want je moet hier vaak omhoog kijken. "Ik zie de zee. De zee ziet mij. Dag zee. Hoe gaat het? Ik eb, zegt de zee. Wat heb je? Ik heb eb. Doet dat zeer? Nee zegt de zee. Een zee heeft nooit zeer." Er wordt hier hard gewerkt aan de literaire ontwikkeling van de heel jonge patiëntjes die alleen nog maar eenlettergrepige woorden kunnen lezen. Of moeten ze zo leren om flink te worden? Niet huilen! Kijk naar de zee, die heeft eb en die huilt ook niet.
Het andere affiche bevat een tekst die bij de verkiezingen van de belabberdste wc-spreuk hoge ogen zou gooien. "Je gezicht is als je eigen weerbericht. Als je in de spiegel kijkt, zie je je eigen bui al hangen."
Is het de bedoeling dat die mensen met gezwellen die ten einde raad op de tafel gaan liggen hierdoor opgevrolijkt worden? Wie wil me dit eigenlijk laten weten? Kent die persoon me dan zo goed? Ik zelf zie trouwens geen buien hangen, maar heb eerder last van het omgekeerde: het zelfbedrog van de roze bril. Toen ik die ochtend in de taxi stapte, keek de chauffeur, die me al vaak gereden had, me in mijn ogen.
"Wat is dat nou?" vroeg hij. "Ik dacht dat ik u wel weer naar Schiphol moest brengen, maar nu zie ik dat we naar de bestraling gaan."
Ik lachte naar hem. "Het lijkt erger dan het is," zei ik.
Onderweg, in de middenberm, zag ik iets dat op een kruiwagen leek, met veel bloemen erbij. Waren ze nog zo laat in het seizoen bezig met planten? Er was toch al regelmatig nachtvorst.
"Is daar een ongeluk gebeurd?" vroeg de chauffeur.
"Nee," antwoordde ik. "Ze zijn volgens mij bezig de boel wat op te vrolijken met wat herfstviooltjes."
Hij maakte een geluid alsof hij me niet helemaal geloofde.
Terwijl ik in een dans met de bestralingsmachine verwikkeld ben, waarin zij op allerlei manieren om me heen draait en kreungeluiden maakt als ze haar genezende stralen laat gaan, praat mijn taxichauffeur buiten met zijn collega's. Triomfantelijk vertelt hij me later als ik nog maar net weer in zijn auto ben ingestapt: "Het was een ongeluk. Drie jonge jongens. Een van hen had van zijn vader een BMW gekregen. Net zijn rijbewijs. Hij moet meer dan tweehonderd hebben gereden. Twee van die jongens waren op slag dood. De derde overleed in het ziekenhuis."
Als we even later weer langs het punt rijden - maar nu aan de andere kant - zie ik dat wat ik per abuis voor een kruiwagen aanzag een afgeknapte en scheef gereden boom is. Zulke dingen wil ik niet zien, zeker niet als ik op weg ben naar de eerste bestraling. Omdat ik het op de heenweg ook echt niet gezien heb, is het echter ook geen slechte boodschap die aan mij is gericht. Dat weet ik zeker.
Ik doe mijn ogen dicht om het affiche op het plafond niet te zien en ben van plan ze elke keer dat ik hier moet liggen dicht te houden. Het is trouwens toch beter mijn ogen te sluiten, want ik moet doodstil liggen. Het is de bedoeling dat de stralen mijn prostaat zullen bewerken en niet de andere nog erg nuttige onderdelen in mijn onderlijf. Ik durf zelfs niet goed diep te ademen. Tussen elke van de vijf heel korte sessies komt de laborante telkens controleren of ik wel goed stil heb gelegen en elke keer zegt ze daarna tegen me: "Nou tot straks."
Erg goed dat ze zo zorgvuldig aardig probeert te zijn, maar ik weet niet goed wat ik terug zal zeggen. Als ik mijn mond open doe, verandert er misschien iets aan de stand van mijn bekken. Ik brom daarom alleen maar een beetje.
Na afloop zegt de vreselijk vriendelijke vrouw: "Nou u kunt erg goed stil liggen zeg." Nog een complimentje ook.
Als ik na afloop mijn kleedruimte weer in wil gaan voegt ze er nog aan toe: "En morgen mag u gerust uw onderbroek aanhouden hoor. Die schuiven we dan op het laatste moment wel een stukje naar beneden."


Terug