| Week 46 Mijn taxichauffeur vraagt me of ik de reizen die ik gewend was te maken niet mis. Ik moet even nadenken, maar besef dan dat de landschappen die ik in mijn leven gezien heb in mijn hart zijn opgeslagen. Ik kan ze zo voor de geest halen, net als de gezichten van de mensen die ik onderweg ben tegengekomen en die iets voor me betekenden. Als ik mijn ogen sluit ben ik binnen een paar seconden ergens anders. Ik hoef niet in Indonesië te zijn om het licht van vijf uur 's middags op mijn gezicht te voelen en te weten hoe ontroerend mild de wereld er op dat moment uit ziet. Zonder in Phnom Penh rond te lopen kan ik alle pagoda's en de monniken die er 's morgens in hun oranje robes vertrekken om uit bedelen te gaan, zien. Het lijkt me wat te ingewikkeld om aan mijn taxichauffeur uit te leggen. We praten daarom verder over het verkeer, de files, en veel over ongelukken. Ja, ongelukken komen het meest aan de orde. Deze week bijvoorbeeld belichten we alle kanten van het ongeval van de vrachtwagenchauffeur die over de kinderwagen reed, terwijl de moeder die er achter liep wel in leven bleef. Het leven is soms wreed. Ik hou erg van gesprekken met taxichauffeurs. Waar ik ook in de wereld geweest ben, van taxichauffeurs leer je in korte tijd vrij veel over waar je bent. Soms met handen en voeten, maar er valt altijd wel iets te communiceren. Ik hoor ze graag uit. Over hoeveel vrouwen ze hebben, of ze die trouw zijn, en of ze niet bang voor aids zijn. In Johannesburg belandde ik door al dat gevraag uiteindelijk in de achtertuin van de moeder van de taxichauffeur, ergens in Soweto, waar ik veel bier te drinken kreeg en naar oude jazz-platen luisterde, terwijl de bejaarde moeder en haar buurvrouw aan mij de voordelen van een homoseksuele zoon uiteen zetten. De andere jongens zijn altijd aan het vechten, zitten in de gevangenis of liggen met kogelwonden in het ziekenhuis, maar je kunt er zeker niet mee winkelen. "Loop je nog steeds hard?" vraagt mijn taxichauffeur. Hij ziet me vaak rennen langs de provinciale weg. Ik hoor die vraag regelmatig, ook van mensen die me nauwelijks kennen, maar mij wel zijn gaan beschouwen als iets dat bij die weg hoort om acht uur 's morgens. "Zeker," antwoord ik. "Maar tegenwoordig op wisselende tijden." De reden daarvoor wil ik hem besparen. We moeten tenslotte nog een paar weken elke dag samen in de intimiteit van zijn auto zitten. Door de beschadiging die de terminator in mijn darmwand aanricht, moet ik vaak naar het toilet. Soms moet ik tijdens mijn renrondje drie keer snel in het bos achter een struik verdwijnen. In de herfst zijn er zoveel bladeren verdwenen dat ik lang niet altijd even veilig zit. Ik kan toch moeilijk de mensen die hun hond uit laten of ouders met kinderen confronteren met een man van middelbare leeftijd met trainingsbroek op de knieën en een rol toiletpapier in de hand, die op vriendelijke toon 'goede morgen' zegt. Ik moet dus wel tijden kiezen waarop ik me alleen weet. Shit happens. Mijn Iraanse radiotherapeut moet mij er elke week naar vragen. "Last met plassen?" informeert hij. "Hoe vaak per nacht?" Ik geef braaf antwoord en hij turft, zoals hij ook het aantal keren dat ik per dag om andere reden naar de wc moet noteert. "Erecties?" vraagt hij en turft. "En de penetratie?" Als mijn antwoord hem niet bevalt dringt hij met een glimlach aan. "Blijven proberen hoor," zegt hij. "U bent nog jong. De bestraling beschadigt de zenuw, maar als je het toch probeert, herstelt het straks allemaal sneller. Anders kijkt u maar naar een filmpje." Hoewel ik porno altijd interessant heb gevonden en het mijn wereld verruimde omdat ik zag hoe andere mensen met het belangrijkste in het leven bezig zijn, staan momenteel beelden van te dikke zweterige mensen die stofzuigergeluiden maken me hevig tegen. Het moet dus zonder filmpje. "Marion kunnen we even een onderzoek doen of mijn ding nog werkt", vraag ik haar soms. Ik wil mijn Iraanse dokter namelijk liever niet teleurstellen. Het is hinderlijk dat wat tot een jaar geleden altijd vanzelfsprekend en zonder overbodige dialogen mogelijk was, nu iets is dat tot onhandigheid leidt. Iemand om gezellig bij het eten mee te praten is natuurlijk niet het hoogst bereikbare in een goede relatie. Ik ben ook boos op de delen van mijn lichaam die zo'n verraad hebben durven plegen en een beetje voor zichzelf zijn beginnen te groeien. Misschien bedoelde de uroloog dat toen hij in de beginfase van dit hele gedoe tegen me zei: "Ja, u kunt het misschien wel aan. Maar kan uw vrouw het ook aan?" "Natuurlijk," zei ik verontwaardigd. Inmiddels begrijp ik dat wie dreigt te verdrinken heel goed weet wat er moet gebeuren. Omhoog, uit het water, naar de lucht om in te ademen. Met heel je lichaam en wilskracht doe je alles om boven water te komen. Maar wat moet de persoon doen die met je mee zwemt? Daar is het veel ingewikkelder voor. Die hoeft niet mee te verdrinken, maar weet ook niet goed wat te doen. Ik heb mijn plan gemaakt en weet precies wat ik wil. Zelfs een afspraak over euthanasie heb ik al met mijn arts gemaakt. "Maak je geen zorgen," zei hij. Ik heb veel nagedacht en een aantal beslissingen genomen. Een daarvan is dat ik nooit meer ruzie met Marion wil hebben over kinderachtige dingen. Bijvoorbeeld over welke route korter is als we met de auto ergens naartoe moeten. En of de linker, de middelste of de rechterbaan het snelst is als je in de file staat. Daar mag mijn kostbare tijd niet aan op gaan. Helaas heb ik verzuimd om dat aan haar te vertellen, waardoor er soms nieuwe misverstanden ontstaan. "Wat mooi die herfstkleuren," zegt mijn taxichauffeur op de terugweg, als we alle mogelijke ongelukken al door hebben genomen. "Ik kan daar zo van genieten." "Ja prachtig," beaam ik. "Praat je wel goed met je vrouw?" vraagt hij ineens. "Je bent natuurlijk niet de enige die ik naar de bestraling moet rijden. Mensen praten er meestal niet voldoende over. Je moet niet alleen voor jezelf denken, maar altijd alles samen bespreken, ook al heb je er geen zin in." "O, dat is wel OK," antwoord ik hem en zoek een mogelijkheid om het gesprek snel weer terug te brengen op de mooie herfstkleuren. "Nee," zegt mijn taxichauffeur. "Je wilt natuurlijk niet altijd maar met je ziekte bezig zijn en verdringt dan veel. Maar je moet met haar praten. Daar heeft ze recht op." Zou hij met Marion gesproken hebben? Tot ik thuis ben gaat hij maar door en is daarbij opvallend veel duidelijker dan al mijn artsen bij elkaar. "Bedankt weer," zeg ik als we voor mijn voordeur staan. "Ik zie je morgen weer hè." "Tot morgen," zegt hij en rijdt weg. Terug |