Week 48
Ik kwam de wachtkamer binnen en zag onmiddellijk dat iets aan de hand moest zijn. Zo druk had ik het er nog nooit gezien. Aanwezigen moesten staan omdat er onvoldoende stoelen waren. Een deel van de mensen die hier de bestraling ondergaat, komt in een rolstoel of ligt in een bed. Die hadden daar deze keer behoorlijk wat voordeel van. Een verpleegkundige liet weten dat er een storing van het computernetwerk was, waardoor geen van de zes bestralingstoestellen kon worden gebruikt. Er werd aan gewerkt en we moesten op enige vertraging rekenen. Voortdurend kwamen er mensen bij, maar opvallend was dat de diepe stilte die in deze wachtkamer gebruikelijk is, niet werd verstoord.
Er is een vrij strikte gedragscode in deze afdeling van het ziekenhuis. Mensen vallen elkaar hier niet lastig. Je bent nu eenmaal niet echt geïnteresseerd in de ellende van iemand anders en als je graag over jezelf wilt praten zijn er tientallen mensen buiten de wachtkamer waarmee je dat beter kunt doen. Net zoals je liever een goed dan een slecht boek leest, zo mag je ook kieskeurig zijn met gesprekken.
Al op de eerste dag had ik het door en ik zweeg. 's Morgens kom ik er aan in mijn trainingspak, al helemaal klaar om als ik weer thuis ben te gaan rennen. Eenmaal in de wachtkamer ga ik op een stoel zitten die ik zo draai dat ik niemand hoef te zien. Dan sla ik mijn boek open en begin te lezen. Van de week was ik bijvoorbeeld meer bezig met Michael Moore's 'Dude, where is my country?' en politiek in de Verenigde Staten dan met de werkelijkheid die zich in de wachtkamer opdringt. Ik negeer het gewoon en doe of ik, op weg naar mijn rondje hard lopen, nog heel even langs moet bij de terminator. Af en toe zie ik een nieuwsgierige blik, maar dan kijk ik snel weg en daar blijft het bij, want regel nummer één hier is: communiceer niet met de anderen. Doe je dat wel, dan ben je onmiddellijk lid van de groep der bestraalden en dat is geen fijne club. Het zijn bezorgde tobbers met diarree, plasproblemen en geringe vooruitzichten. Liever doe je of je tot de onbezorgden behoort die nog denken dat ze eeuwig zullen leven of minstens tot ze honderddrie zijn.
Een dag eerder zat er een dikke kale man in de wachtkamer. Hij glom van de transpiratie. De man probeerde mijn aandacht te trekken, maar ik las geconcentreerd verder. Uiteindelijk zwichtte een vrouw die ook op haar beurt wachtte voor zijn pogingen tot contact. Ze keek terug en glimlachte.
"Ik ben hier voor het eerst," zei hij onmiddellijk.
"Het valt best mee," antwoordde de dame. Ze was verstandig en hield haar antwoorden kort.
"Voel je er iets van?" informeerde hij.
"Nee hoor," zei de dame.
"Het overvalt je," vervolgde de man. "De dokter zei dat het beste is om het te bestralen. Maar gaat het er dan ook van over? Word ik weer beter?"
"De dokter zal het wel niet voor niets doen," stelde de dame hem gerust.
"Denkt u?" vroeg hij.
Vermoedelijk knikte ze, maar ik heb geen idee hoe het gesprek dat alle aanwezigen in de wachtkamer konden volgen, af liep. De verpleegkundige kwam me juist op dat moment halen. Opgelucht stond ik op om naar binnen te gaan.
Met de verpleegkundigen communiceer ik wel.
"Goh, wat modieus," zegt één van hen. "U heeft een onderbroek aangetrokken in de kleur van de viltstiftstrepen die we op uw buik zetten."
Vuurrood is mijn nieuwe onderbroek. Marion heeft hem mij als cadeautje gegeven. Een signaal om mensen te waarschuwen: kijk uit, een gevaarlijke en volop levende man.
Met mensen die me opbellen communiceer ik ook. Ze willen me even vertellen dat ze in de krant gelezen hebben dat tegenwoordig meer dan 50% van de mensen bij wie het wordt gediagnosticeerd na vijf jaar nog in leven is.
"Ze merken in een steeds vroeger stadium dat er iets aan de hand is," leg ik geduldig uit. "Daardoor worden die cijfers steeds beter. Bij mij is het helaas aan de late kant ontdekt."
Marion vindt dat ik met haar niet altijd genoeg communiceer. Ze plaagt me en zegt: "Ik denk dat jij beter met de taxichauffeur communiceert dan met mij."
Als ik mijn kwaliteiten zou moeten samenvatten, dat denk ik toch de capaciteit om te communiceren een van de belangrijkste pijlers onder mijn werk is. Overal doe ik het, maar niet in de wachtkamer. Tegen de hond van het krom lopende vrouwtje zeg ik als hij in de broekspijpen van de trainingsbroek om mijn rennende benen wil bijten: "Af Nouschka af, naar het vrouwtje, naar het vrouwtje." Ik heb de vrouw haar hond een keertje horen roepen en weet hoe het dier heet. Bij honden moet je de boodschap twee maal geven anders begrijpen ze je niet. Soms vraag ik me af of dat bij mensen niet ook verstandig zou zijn. En tegen de vrouw die ik wel eens zie wandelen en die nu ineens een baby heeft, roep ik in het voorbij hollen: "Goh heb je een kleintje?" Ik heb nog nooit een woord met haar gewisseld en nu roept ze me terug omdat ze wil dat ik haar kind bekijk.
Het fascineert me hoe mensen naar elkaar reiken om uit de gevangenis van hun eenzaamheid te worden bevrijd. Heel even een lach, een groet, een zin om te horen bij de wereld om je heen. Een moment waarop je beseft dat je niet alleen bent.
Deze week logeerde Mike, Marion's neef van achttien bij ons. Zijn ouders wonen in Singapore en hij is hier begonnen met zijn studie. Hij zit in z'n eentje op een verdieping in Amsterdam. In de zomer toen iedereen in zomerkleren rondliep en vanzelf veel lachen moest, heb ik hem al gewaarschuwd. Als het november wordt en er weinig daglicht is, de mensen natte jassen dragen als ze de tram instappen, je even snel bij Albert Hein moet zijn waar drie speelgoedberen altijd het liedje 'Héé kleine teddybeer, ik ben zo blij dat ik je ken' zingen dat je daarna niet meer uit je hoofd kan krijgen en er 's avonds weer niets leuks op de televisie is, voel je je soms erg alleen. Toen ik nog studeerde las ik op zulke momenten voor de zoveelste keer mijn Kuifje albums.
"Als dat het geval is moet je niet te lang wachten," zei ik. "Dan kom je lekker bij ons."
We kijken samen naar de voetbalwedstrijd en bij elk doelpunt dat gescoord wordt roepen we luid dingen waardoor we weten dat we niet alleen zijn.
De volgende dag bij het ontbijt vraagt Marion hoe laat hij uiteindelijk is gaan slapen. Hij lacht.
"Ik had een leuke vraag bedacht," vertelt hij. "Wat wil je het liefste doen: a. met een space ship eeuwig door de galaxy reizen, b. je leven lang hard werken en dan een medicijn vinden waardoor veel mensen beter worden, of c. met degene van wie je houdt verder altijd op een onbewoond eiland doorbrengen? Ik wist niet aan wie ik de vraag moest stellen, maar ik had in het geheugen van mijn telefoon het nummer van een meisje staan dat ik een tijd geleden tegen kwam en daarom sms'te ik het naar haar. Het was drie uur in de nacht toen ze me terug belde en ze zei dat ze geen vriend had op dit moment en me wel een keer wilde zien."
Die jongen kan goed communiceren.
"Welk antwoord gaf ze," vroegen Marion en ik vrijwel tegelijkertijd.
"Ze zei c," antwoordde hij met een zekere verbazing in zijn stem alsof hij iets anders had verwacht.
Vandaag zag ik de kale dikke man in de wachtkamer zitten. Hij weet nu hoe het hoort en zegt niets. Hij kijkt de krant in die altijd klaar ligt. Waar hij het heeft wil ik niet weten en ook niet hoe vaak hij hier moet komen, maar ik zou hem eigenlijk best willen vragen wat hij zou kiezen: a, b of c.


Terug