Week 49
Op dagen dat ik een erg vroege afspraak heb, rijdt er een oudere man voor. Hij komt een kwartier eerder dan de andere chauffeurs en rookt buiten naast de auto, terwijl hij wacht tot ik thee gezet heb, een sigaret. Intussen bekijkt hij keurend mijn tuin. Vanuit de keuken zie ik zijn kleine gebogen gestalte bij de rododendrons. Ik moet de opwelling bedwingen om niet snel mijn handelingen te onderbreken en naar buiten te gaan om in de taxi te gaan zitten, maar wat moet ik zo vroeg daar in die wachtkamer doen? Ik kan best ook nog wel even de was opvouwen.
Hij heeft opmerkingen waardoor gesprekken onmiddellijk stil vallen. Zo zegt hij vaak "Ja, dat zal wel", ook al zeg ik alleen maar "Wat is het koud vanmorgen", omdat hij wel een antwoord wil geven, maar niet goed weet wat hij moet zeggen. Hij heeft een hoge stem en een zeurderige intonatie. Het duurde een paar van die vroege ritten voordat hij en ik echt een gesprek hadden.
Toen we tijdens de derde rit langs de werkzaamheden bij het tuincentrum reden begon hij uit zichzelf te praten.
"Ze zijn flink aan het uitbreiden," zei hij. "Ze mogen wel opschieten zodat ze de kerstverkoop op tijd kunnen beginnen. Ik kom hier vaak. Als een plant niet goed is, kun je hem terugbrengen en dan ruilen ze hem."
De man blijkt een tuinliefhebber te zijn en zolang we over tuinen, planten en bomen praten vallen er geen stiltes in de taxi.
"Jammer van die rododendrons daar bij u verder in de straat," zegt hij. "Die mensen weten toch dat ze 's zomers als het niet regent water moeten geven. Ze zorgen toch ook goed voor hun auto's. Het is doodzonde, want hoe lang doet zo'n struik er niet over om zo groot te worden?"
Ik vertel hem over mijn eigen pogingen om de rododendrons in leven te houden, maar dat ik ook twaalf nieuwe struiken geplant had, waarvan er nu toch ook drie dood lijken te gaan.
"Maar mìjn kweker geeft me geen nieuwe plant," zeg ik. "Ik heb een takje afgeknipt en ben ermee naar hem toegegaan. "Heb je wel water gegeven?" vroeg die kweker. Hij moest eens weten hoe ik ermee bezig geweest ben. Daarna haalde die kweker alleen maar zijn schouders op"
"Misschien zijn het de wortels," zegt de chauffeur.
Elk mens heeft een passie en de mijne is het schrijven. Ik kan geen dag zonder. Soms hoor ik mensen zeggen dat ze schrijver willen worden. Het is voor mij een vreemde opmerking. Schrijver ben je. Je kunt niet anders. Voortdurend voel je van binnenuit die behoefte om je observaties, je ontroering of je ergernis om te zetten in woorden. Niets blijft onaangeraakt door je pen. Het is eerder een karaktereigenschap dan een professie.
In mijn contact met mensen ben ik ook altijd op zoek naar hun passie. Voor het uitwisselen van gezelligheden ben ik totaal ongeschikt. Dat houd ik niet langer dan tien minuten vol. Wel ben ik erg nieuwsgierig naar wat een ander mens drijft. Dat wil ik horen en daarover wil ik praten. Vervolgens komt de behoefte in me op om snel naar mijn schrijftafel te gaan en het op te schrijven. De ontmoeting krijgt een tweede leven in mijn dagboek. Vroeger had ik wel eens een aantekeningenboekje bij me om notities te maken, sleutelwoorden om de zinnen die vanzelf ontstonden niet te vergeten. Dat werkt niet.
In de wachtkamer van de radiotherapie heb ik deze week twee gepassioneerde mensen gezien. Hij is een schoonmaker van zo'n beetje mijn leeftijd. Ik vermoed dat hij een vluchteling is uit een land in het midden oosten. Een zware, donkere snor siert zijn bovenlip en onder zijn witte tuniek met korte mouwen komen zwart behaarde armen te voorschijn. De schoonmaker praat luid alsof hij in het land waar hij vandaan komt een belangrijke baan heeft gehad. De vrouw doet hetzelfde werk. Ze is kort en plomp gebouwd, een jaar of veertig en waarschijnlijk komt zij uit de Balkan. Deze week zijn die twee onafscheidelijk en fladderen samen door de wachtruimtes. Hij spreekt keurig Nederlands, alle afzonderlijke woorden aandacht gevend. Zij gebruikt de woorden op een muzikalere manier. In hun witte pakken lopen ze langs de deuren en hij legt haar uit waar je op moet letten om te weten wanneer een deur goed schoon is. Hij houdt zijn hoofd schuin bij de deur en kijkt onder een hoek van dertig graden naar het oppervlak. Zij imiteert de houding veertig centimeter lager.
"Kijk," zegt hij en hij wijst. "Daar zit een doffe plek. Het moet glimmen. Daar moeten we nog een keer met Ajax langs."
Zij trekt de kar met schoonmaakbenodigdheden dichterbij en poetst. Ze kijken weer samen naar de deur alsof het hun eerstgeborene is. Het lijkt of ze tevreden zijn. Een paar dagen achter elkaar zie ik ze zo bezig.
"Mijnheer Wolffers," hoor ik de stem van de verpleger. Ik spring op, ga het kleedhokje in dat ik, zoals altijd, vergeet af te sluiten, leg mijn boek en leesbril weg en doe mijn trainingsbroek en hardloopschoenen uit. Gretig stap ik de ruimte binnen waar de terminator staat met wie ik inmiddels een gepassioneerde relatie heb ontwikkeld. Met zijn onstuimige en verwoestende kracht gaat hij mijn prostaat te lijf. Hij is erop geprogrammeerd om de John Connor in mij te te laten overleven omdat ik nog een taak te vervullen heb. De wereld kan me nog niet missen en daarom is hij vanuit de toekomst naar me toe gestuurd om me te redden. Al een paar weken doen we samen en mijn prostaat moet er ondertussen uitzien als Dresden na de Amerikaanse bombardementen. Mijn darmen en blaas worden daarbij ook geraakt en geven allerlei klachten, maar dat maakt me blij, want het onderstreept alleen maar hoe effectief die stralen zijn bij het vernietigen van wat er op hun pad komt. "Collateral damage," hoor ik mijn action heroe achteloos zeggen.
De verpleegkundigen verlaten de ruimte uit angst voor de radioactiviteit en dan zijn we alleen. Bzzzzzzzz. Het geluid is niet opzienbarend. Gedurende de paar seconden dat het gezoem weerklinkt probeer ik in te ademen om zoveel mogelijk van de vernietigende stralen binnen te krijgen. Dan volgt een korte pauze en opnieuw hoor ik het liefkozende geluid van de terminator. Vanuit die stand gebeurt dat negen keer. Daarna zijn er nog vier posities waarin wij samen de liefde bedrijven, waarbij hij soms elf keer zijn genoeglijk geluid laat horen, maar minimaal zeven. Soms schraapt hij tussen twee zoemen de keel, alsof hij van diep binnen nieuwe energie omhoog moet halen om bij mij binnen te blazen.
Op weg naar huis, als ik bevredigd in de taxi zit, vertelt de chauffeur me dat hij deze week de planten in potten binnen moet zetten.
"Veel werk," zegt hij. "Ik heb er wel tien."
"Het is toch ook leuk om te doen," zeg ik.
"Ach, je moet wat," zegt de man. "Ik word ouder en stil zitten kan ik niet. Je moet dus wel een hobby nemen, want als je gepensioneerd wordt zit je in ineens niets te doen. Eerst had ik vissen gekozen. Zo'n aquarium met tropische vissen. Maar dat is altijd wat. Op een ochtend kwam ik beneden, dreven al die visjes op hun rug. Ik heb het meteen allemaal weggedaan. Toen vogels. Dat is gemakkelijker. Maar soms hebben ze een ziekte. Ik heb wel eens gehad dat er vijftig in een week dood gingen. Dat ben ik toen ook maar af gaan bouwen. Ik heb alleen nog wat parkieten over en als die dood gaan hoef ik geen nieuwe. Met planten is het allemaal een stuk eenvoudiger. Water geven. 's Winters binnen zetten. En als er iets met ze is ruil je ze om bij het tuincentrum."
"Ja, dat zal wel," zeg ik.


Terug