Week 51
Voor de laatste keer rijd ik met de taxi langs de half afgebroken boom waar de bloemenhulde voor de drie omgekomen jongens bruin en verdord is op weg naar mijn afspraak met de terminator. Ik heb een roman van mezelf voor mijn Iraanse dokter meegenomen en een doos chocolaatjes voor de verpleegkundigen. Een laatste glimlach en dan zie ik ze nooit meer. De bestraling is voorbij. Nu moet mijn lichaam het verder zelf doen. Ik maak plannen om mijn leven van voor de bestraling weer op te pakken. Er liggen verzoeken voor werk in het buitenland. Een trip naar Ghana in januari zeg ik nog af, maar ik kan niet altijd alles blijven weigeren. Vanuit Kuala Lumpur heb ik al heel wat mailtjes ontvangen om te informeren op welke dagen ik in februari kan zodat ze een uitgestelde vergadering kunnen plannen.
In de nacht voor de laatste bestraling hebben Marion en ik ruzie. Het dagelijkse patroon van de voorstaande taxi en ik in mijn trainingspak naar het ziekenhuis, waarna ik bij thuiskomst ontdek dat Marion alle kaarsjes heeft aangestoken, gaf een vreemde zekerheid. Nu moeten we weer terug naar vroeger, maar we worden gedwongen ons af te vragen wat we geleerd hebben van wat me is overkomen en of het beter is dat er iets in mijn leefpatroon verandert. De centrale verwarming is al lang afgeslagen als we om drie uur nog steeds verwijten produceren in plaats van antwoorden hebben weten te vinden. Ik zit op de grond en ril van de kou. In de verte zie ik een oude foto van mij met Kaja op de vensterbank staan. Marion heeft die gemaakt. Mijn zoon en ik kijken elkaar in de ogen. Ik probeer hem een lach te ontlokken. Hij is nog een baby en ik ben net vijfentwintig geworden. Op mijn gezicht de dwaze lach van mensen die nog niets weten en geloven dat alles mogelijk is.
Carel is die dag op bezoek gekomen. Ik had hem zeker zeven jaar niet meer gezien. In de Libelle heeft zijn vrouw iets gelezen, waaruit zou blijken dat ik een ernstige ziekte heb en dat het nu weer in orde is. Omdat ik net even naar de bank en de bakker ben, moet Marion hem antwoord geven op zijn vragen. Later vertelt zij me dat toen Carel het hoorde hij zijn hoofd in zijn handen nam en huilde. Als ik weer thuis ben is daar niets van te merken en we praten over hoe het met mij gaat.
"Het gaat goed met me," zeg ik. "Na de bestraling ga ik gewoon verder met mijn leven."
We zitten bij elkaar aan tafel en ik besef dat ik niet zo veel weet over hem zoals hij nu leeft, maar me nog elk detail herinner uit de tijd dat we als jongens van achttien te veel bier dronken, dat hij een keer te dronken was om zijn vriendin naar huis te brengen, dat ik dat deed als een gentleman en haar bij de deur alleen maar groette door wat te zwaaien hoewel ze stond te wachten op haar zaterdagse afscheidszoen, maar Carel was mijn vriend. Carel, die een vreselijke platencollectie had, maar wel onmiddellijk bij het uitkomen Major Tom van David Bowie kocht, een plaat die we tot vervelens toe draaiden als we op zijn kamer waren. Onze levens zijn verbonden in die momenten dat de wereld aan onze voeten lag. Carel vraagt ook over de toekomst.
"En wat is nu de prognose?" wil hij weten.
"Ik ga er van uit dat alles nu weer in orde is," zeg ik. "Een ander scenario is best mogelijk, maar als ik daarmee rekening moet gaan houden, dan word ik dubbel gestraft. Een keer als het mis gaat en een keer in de periode dat ik me daar zenuwachtig over heb zitten maken. Ik heb natuurlijk in het afgelopen jaar wel geleerd om beter mijn prioriteiten te stellen."
Dat woord prioriteiten duikt veel op in mijn ruzie met Marion. Nu we ons leven zonder bestraling opnieuw in moeten gaan vullen wil ze weten wat mijn prioriteiten zijn en of ons leven weer zo'n uitputtende race gaat worden waarin elke maand een buitenlandse reis gestopt moet worden omdat ik nog steeds niet klaar ben de wereld te redden. Misschien hadden we de ruzie een nacht later moeten hebben op het moment dat de bestralingsreeks echt helemaal was afgelopen, maar het is eigenlijk veel logischer dat alle vragen die weggedrukt zijn opduiken op het moment dat we naar bed willen gaan, wetend dat de volgende dag de laatste keer is en ineens beseffen dat we geen routeplan hebben voor de tijd daarna.
Nog even kan ik me excuseren als ik een vergadering of een reis afzeg door te wijzen op het feit dat ik moet herstellen van de bijwerkingen van de bestraling. Binnenkort moet ik echter gewoon weer naar een vervelende vergadering. Als ik geen zin heb kan ik me niet excuseren door te vertellen dat ik een ernstige ziekte heb. Dan moet ik me gewoon terugtrekken uit de commissie, het bestuur, de redactie, het project, kortom uit mijn vroegere leven stappen om een nieuw te beginnen.
Gelukkig heb ik tijdens mijn laatste rit een van de aardige taxichauffeurs. We kijken op de terugweg allebei naar de afgeknapte boom met de verdorde bloemen. Ik hoor hem zuchten. Die ouders huilen zich nog elke avond in slaap. Drie jongens van achttien, die samen te veel bier dronken. Waar zij uit de bocht zijn gevlogen, probeer ik mijn leven op het spoor te houden, gecontroleerd vaart te verminderen en extra levensjaren te verdienen om af te maken wat nog lang niet klaar is. Bij mij thuis gekomen besluit ik hem ook een roman te geven, ook al leest hij misschien nooit. Het gaat nu eenmaal om het geven, nooit om het ontvangen.
"Nou ik zie je nog wel," zegt hij onhandig.
"Vast wel," zeg ik.
"Ja," zegt hij. "Je hebt altijd wel weer eens een taxi nodig."
"Precies," antwoord ik. "Maar niet meer een naar de bestraling."
"Misschien weer naar Schiphol," zegt hij.



Terug