Week 52
In het diepst van een droom hoorde ik ineens Marion's stem die zei "Ik geloof dat er gebeld wordt". Slaapdronken stommelde ik naar beneden om het hek te openen, maar er was niemand. Wat had ik gedroomd? Ik wist alleen nog dat het een erg leuke droom was geweest: een feel good dream. Elke herinnering eraan was echter verdwenen, vervangen door een koude, donkere decemberochtend. Het was vervelend dat ik uit die geweldige droom was gewekt, maar tegelijkertijd kon het ook niet erg zijn, want als dat niet gebeurd was, had ik zelfs nooit geweten dat ik in zo'n bijzondere droom zat. Wat was erger: nooit weten dat ik zo mooi droomde of gewekt worden en te ontdekken dat ik een fantastische droom gehad had, maar altijd met de spijtige gedachte te zitten dat ik niet wist waar hij over ging? Ik viel weer in slaap, maar de droom kwam niet meer terug.
Toen ik veertien jaar oud was leek het leven op een aaneenschakeling van verrassende ontdekkingen. Ik was als een Zen boeddhist die bij elk nieuw inzicht 'satori' roept. Later, als alles bekend en vertrouwd geworden is, verdwijnt de verbazing over de wereld rondom, maar als je veertien bent is het leven een ontdekkingsreis. Het waren geen grootse ontdekkingen, maar ze verschaften een diep inzicht in de logica van het bestaan. Zo van: O, als je je voorhuid wat naar achteren trekt kom je verder met plassen. Of: hé, nu snap ik waarom het beter is om tegen een muur of een boom te plassen; het spettert niet zo op je voeten. En meer dergelijke goddelijke ingevingen. Je leven lang heb je er iets aan. Als ik terug kom van het doen van mijn boodschappen en denk dat ik net op tijd in de wc kan zijn, blijkt dit jaar maar al te vaak dat ik al blij moet zijn een van de bomen in mijn tuin te halen. Als het me niet lukt worden mijn schoenen nat en als het wel lukt besef ik dat dit jaar niet voor niets zo droog is en dat het mijn taak is daar iets aan te doen. Sinds een jaar zijn de inzicht brengende ontdekkingen in verhevigde mate terug want omdat ik de hormoon onderdrukkende medicijnen gebruik, is het of ik op kamers woon in mijn eigen lichaam. De gedachte "dus daar zijn die mannenhormonen goed voor" dringt zich enkele malen per week met kracht aan mij op en ik vraag me af of ik ooit weer mezelf word. Ben ik de lievige schrijver die verhaaltjes voor het sterven gaan vertelt of een gretige man die alles seksueel interpreteert en geen gelegenheid om te neuken voorbij laat gaan? En wat is de droom en wat de werkelijkheid?
Onlangs logeerde Joc uit Zwitserland een paar dagen bij ons. Veel mensen willen ineens op bezoek komen omdat de gedachte dat het misschien de laatste keer is dat ze me zullen zien zich hardnekkig in hun hoofd heeft genesteld sinds ze gehoord hebben wat voor diagnose de dokter mij mee naar huis gaf. Met Joc reisden we een half jaar door Zuid Amerika. We hadden afgesproken hem in Guatemala te ontmoeten, maar toen we in het hotel waar we hem zouden zien kwamen, was hij er niet. Niets voor hem. In een dorp aan het meer van Atiklan had hij een legerhelikopter zien landen waar soldaten uitsprongen met automatische wapens, die mannen, vrouwen en kinderen uit hun huizen haalden en neerschoten. Later stond in de krant dat het de Indiaanse rebellen waren die de dorpelingen hadden vermoord. Joc bezocht de redactie van de grootste krant van het land - La Prensa - om ze uit te leggen dat ze zich hadden vergist en dat het zo niet gegaan was. Een dag later werd hij uit zijn hotel gehaald en moest onmiddellijk het land verlaten en mocht er niet meer in. Toen ik dat hoorde betrapte ik me op een lichte vorm van naijver dat ik dat niet had gezien en dat ik het land niet was uitgezet: als een held die opkomt voor het vertellen een onwelkome waarheid. Een paar weken later liepen we Joc bij toeval tegen het lijf op straat in Managua en reisden samen verder. We deelden een te kleine tent tijdens het lopen van de Inca trail en zaten samen in kleine Indianensauna's om te proberen schoon te worden. Joc kent me dus goed.
Joc zat aan onze keukentafel en Marion had even tijd om mijn haar te knippen. Ik trok mijn T-shirt uit en ging op een keukenkruk zitten.
"Hé, heb je je borsthaar afgeschoren?" informeerde Joc.
"Nee," zei ik. "Het komt door die hormoonmedicijnen. Ik herken mezelf soms niet meer. Alle overtollige haargroei is geleidelijk verdwenen. Ik hoef me ook nog maar twee keer per week te scheren. En ik snij me daarbij nooit meer. Mijn huid is zo droog geworden dat ik me steeds in moet smeren. Marion en Kaja laten geen gelegenheid voorbij gaan om me dure flesjes met mannencrème te geven als troostcadeautjes."
Als aan het einde van december de medicijnen die elke drie maanden in mijn buik gespoten werden uitgewerkt zijn, hoef ik ze niet meer te nemen. Ik ging ervan uit dat ik nu ook zou kunnen stoppen met de hormoonmedicijnen, die ik gewoon slik, maar voordat ik daartoe over ging belde ik even met de uroloog. Hij klonk verrast, maar heel vriendelijk.
"Het is misschien beter als je die nog een tijdje slikt," zei hij. "Misschien nog één of twee jaar. En dan moeten we in april maar weer eens een afspraak maken. We kijken dan naar je PSA om te zien of het terug is gekomen."
Goed dat ik hem nog even opbelde, want hoe had ik het anders moeten weten? De uroloog mocht dan wel vriendelijk klinken, maar de formulering 'of het terug is gekomen' maakte me niet echt blij. Natuurlijk ben ik me bewust van het feit dat het niet voorbij is. Het zal nooit meer voorbij gaan en op een dag zal mijn zoon wat verre familieleden en vrienden bellen om ze te vertellen dat het dan toch gebeurd is, maar ik heb geen zin om er al te veel bij stil te staan en vraag me af hoe oud ik dan zal zijn. Ik dwong mezelf te denken aan de leuke dingen in mijn leven. Het nieuwe nummer van ons tijdschrift 'Research for Sex Work' was die week uitgekomen en in de Lancet stond mijn artikel over migratie, gezondheid en mensenrechten. Het is altijd beter om te letten op wat goed gaat.
's Morgens vroeg gaat de telefoon, die me voor de tweede keer die ochtend wekt. Het is mijn schoonmoeder die vertelt dat oom Ben uit Florida, die verdorie genezen verklaard was, er uiteindelijk toch aan is overleden. Uitzaaiingen naar de ruggenwervels. Hij is zesenzeventig geworden. Ik word door het gerinkel van die telefoon overigens gestoord in een droom. Het is geen prettige maar een verwarrende droom. Het gaat over iemand die net een stuk in de Lancet heeft geschreven over migratie en mensenrechten, een stuk waarin hij opkomt voor een onwelkome waarheid. Als de schrijver van het artikel in mijn droom opduikt, blijkt hij een man te zijn die om het kwartier naar de wc moet om te plassen en uit ongeduld niet goed uitdruppelt zodat zijn onderbroek vochtig wordt en hij naar urine ruikt. Ik vraag me af of dit nu mijn droom is of van degene die in mijn lichaam op kamers woont.



Terug