| Week 2004 01 Schrijven is iets dat je vooral doet als je niet achter de tekstverwerker zit. Wat voor een ander verloren tijd lijkt is een gouden voedingsbodem voor verhalen. De opdracht was deze keer om snel een plot voor een kerstverhaal te bedenken en tijdens het doen van de feestboodschappen ontwikkelde het zich. Een jonge vrouw brengt de kerstdagen met haar geliefde door in een Spaanse badplaats. Hij is piloot die op de ochtend van eerste kerstdag nog even een ingelaste vlucht naar Londen moet maken. Als verrassing wil hij 's avonds in kerstpak verkleed het hotel binnenlopen. Om het extra spannend te maken laat hij de vrouw het bericht bezorgen dat hij door mist in Londen is opgehouden. Ze wacht in de bar van het hotel, drinkt wat te veel en belandt in een kerstfeest dat door het hotel is georganiseerd. En dan komt hij binnen in zijn rode pak en met een lange witte baard. Bij elke nieuwe gang die ik met mijn boodschappenkarretje inreed bedacht ik nieuwe sappige gebeurtenissen en terwijl andere mensen die aan het winkelen waren met zwaar depressieve blik in de ogen achter hun overladen karretjes rond gingen, speelde rond mijn lippen een glimlach. 's Nachts ging het echter verder zonder dat ik er om gevraagd had. Waar ik twee jaar geleden omdat ik zelden of nooit droomde nog met mijn lichte neiging om over alles wat ik wil vertellen te doceren, uiteen zette dat dromen slechts in zwart wit gezien worden en gebaseerd zijn op ongecoördineerde hersenontladingen, daar ben ik inmiddels een waar dromenexpert aan het worden. Mijn droomfrequentie is inmiddels bijna vergelijkbaar met die van Marion, en die vertelt me al tweëendertig jaar elke dag de droom van die nacht, waarin ze meestal verloren rond rent. Dan zeg ik elke ochtend troostend: "Wees dan maar blij dat je weer wakker bent." Ik droom tegenwoordig ook elke nacht en die nacht ging mijn droom over de jonge vrouw uit het verhaal. Haar minnaar kwam niet opdagen en in deze verhaalversie gebeurde dat omdat hij tijdens de vlucht was overleden, niet omdat er mist hing in Londen. Het verhaal ging nu over hoe ze het lichaam van het vliegveld ging halen en de hilarische beschrijving bestond uit incidenten met het lijk dat niet in de kist paste en hoe die kist ook nog eens uit de auto viel en ze in haar eentje alles terug moest stoppen. Het was ware slapstick en ik werd met een glimlach op mijn gezicht wakker. Vanaf het moment dat ik een jaar geleden van de Roemeense arts, die tijdens de kerstdrukte me uit collegialiteit nog wel even snel wilde zien, hoorde dat er iets heel erg verkeerd was en hij de magische woorden "het kan achttien maanden duren, maar als u geluk hebt ook nog twintig jaar" uit sprak, moet ik vaak aan de dood denken. Ik vind dat overigens helemaal niet cool en dat wil ik bij voorkeur altijd wel zijn. Je bent cool als je je nooit laat verrassen, zelfs niet door de dood, maar dat is erg moeilijk omdat je er nooit op bent voorbereid. Sinds die tijd lees ik - zij het met grote tegenzin - de overlijdensadvertenties in de krant om te zien hoe het in ieder geval niet moet. Het liefst zou ik zelf de tekst vast willen schrijven, maar ik weet dat zo'n tekst vergelijkbaar is met de opdracht die je voor in boeken moet schrijven. Het is overbodig. Je hebt al twee jaar lang gewerkt aan die roman en wat moet er dan nog extra voorin worden gezet? Het is al perfect. Daar valt niets meer aan toe te voegen. Bovendien besef ik ook wel dat ik me er niet mee mag bemoeien. Ik ben tegen die tijd uitgepraat en in mijn overlijdensadvertentie komen dan eindelijk de anderen aan het woord. In een onbewaakt ogenblik zei ik wel een keer tegen Marion "als je maar nooit iets schrijft over dat ik zo dapper gevochten heb, maar dat het niet mocht baten, want dat heb ik niet; ik heb alleen maar geleefd". Ze keek me niet begrijpend aan en ik ben er nooit op teruggekomen. Een paar dagen geleden wilde ik ook nog zeggen dat ik ook "hoewel hij aan een terminale ziekte leed, toch nog onverwacht" geen mooie combinatie van woorden vind, maar nam de moeite maar niet meer te controleren wat er na me nog allemaal gebeurt. Oog in oog met het vonnis van de Roemeen restte mij alleen nog maar het leven. Iets anders interesseerde me ook helemaal niet meer. Wonderlijk genoeg betekende dat niet dat ik nog meer wilde reizen, maar dat ik beter op ging letten als ik in een winkel stond of bij de bank kwam. Alles wat ik meemaakte of waar ik getuige van was hoorde bij een prachtig en diep tragisch verhaal. Bij de bank duurde het die dag voor kerst een eeuwigheid voor ik geholpen werd. Een oudere vrouw met haar dochter waren druk bezig de dame achter het loket uit te leggen dat een rekening gesloten moest worden, hoewel deze op naam van twee personen stond en dat het geld naar een andere rekening moest worden overgeschreven. Ik vermoedde onmiddellijk dat ook hier de Roemeense arts had toegeslagen, maar nog meedogelozer. Er was een tweede handtekening nodig begreep ik uit de flarden van het gesprek die ik opving en vroeg me af waarom het mensen toch zo moeilijk gemaakt wordt. Ineens zei de dochter: "Kijk eens mevrouw. Mijn moeder wil er niet graag over praten, maar ze is net van mijn vader gescheiden en we willen niet dat hij zijn schulden betaalt van het geld van deze rekening." Dat is veel erger dan wat er met mij is gebeurd. Even later stond er bij Blokker een dame van een jaar of zeventig voor me die twee kerstmanmutsen kocht. Ze rekende drie Euro tachtig af. Voor zo'n luttel bedrag toch nog een leuke avond zonder kinderen of kleinkinderen. Met z'n tweeën, elk een muts op en een extra glaasje rode wijn. Minder erg omdat ze elkaar nog hebben, maar die muts erbij…. Het was weer niet zo dramatisch als later op die dag, 's avonds in het restaurant bij het echtpaar dat aan een tafeltje achter ons zat. De man die aan één stuk door sprak over beleggingen, opdrachten en captains of industry, alsof hij ze ook echt persoonlijk kende, ontplofte naar aanleiding van een opmerking van zijn vrouw en begon als een mitrailleur lelijke dingen te sissen naar zijn vrouw die haar mooiste jurk had aangetrokken en zeker drie kwartier voor de spiegel gezeten had voor ze het haar in deze vorm gemodelleerd had en die nu verstijfde als de vrolijk opgemaakte sorbet op haar bord. Ik zou hun levens voor geen geld willen ruilen voor het mijne, ook al zitten er minder stempels op hun strippenkaart. Vannacht werd ik wakker uit een verwarrende droom. We waren onderweg even in Apeldoorn gestopt omdat daar interessante ondergrondse ruïnes zouden zijn. De enige reden waarom het juist daar was, had waarschijnlijk vooral te maken met het feit dat we een dag eerder ergens voorbij die plaats moesten zijn en ik in het halfdonker daarom steeds naar het woord Apeldoorn op de verkeersborden had gekeken. We reden de parkeergarage van deze wereldberoemde attractie binnen en Marion stapte uit terwijl ik intussen een plaatsje voor de auto zocht. Daar beneden zag het eruit als een gebombardeerde stad, waar mensen hun leven weer opgepakt hadden. Wie wat kon koken of bakken deed dat in een pan die nog uit de resten van hun huis gered waren. Die hapjes verkochten ze aan mensen die langs liepen. Het zag eruit als de begraafplaats Kembang Kuning in Surabaya bij nacht, waar tientallen prostituees vanachter de zerken naar langs slenterende mannen lonken en waar oudere vrouwen bij het licht van olielampjes saté, tahu goreng, kreteksigaretten en flesjes teh botol verkopen. Een paar jaar geleden was ik daar voor een AIDS voorlichtingsproject. Ik stond buiten alles, maakte er geen deel van uit. Het bleef achtergrond omdat ik eerst Marion moest vinden, maar ik wist niet meer waar de auto stond en daardoor was ook Marion verdwenen. Daar ging mijn droom over. Er waren slechts vervallen huizen. Alles was kapot. Ik zag geen grote A's of B's, of molentjes en klompen voor de imbecielen, als merktekens voor zoekenden die hun auto niet terug kunnen vinden. Ik moest het zonder hulp doen en het lukte me niet. Eindeloos liep ik rondjes en keek of ik onze auto ergens zag om van daaruit de route terug te lopen naar waar ik Marion had achtergelaten. Ik werd wakker met een beklemmend gevoel, maar werd weer een beetje vrolijk toen ik me bedacht dat mijn droom verrassend leek op die waar Marion me onlangs over vertelde. Ze was in haar eentje verdwaald in een groot park met prachtige natuur, maar ze was niet bang, want ze wist dat als ze uiteindelijk bij de uitgang kwam - hoe lang dat ook mocht duren -, ik daar zou staan. Terug |