Week 2004 06
Iemand van een radioprogramma belde me op en vroeg of ik telefonisch kon worden geïnterviewd. Het betrof een educatief programma voor ouders en deze week wilde men het hebben over seksuele voorlichting. Wat te doen als je kinderen in de leeftijd komen van het 'doktertje spelen'? Omdat ik ooit, in de jaren zeventig, een boekje geschreven had met die titel wilde men een minuut of vier met me over het onderwerp praten. Enerzijds werd ik wat lacherig omdat ik ondanks de meters boeken die ik heb geschreven me nooit een deskundige op wat voor gebied dan ook ben gaan voelen. We weten met zijn allen uiteindelijk niets. We zoeken wanhopig naar logica in de wispelturigheid van het bestaan, maar tasten meestal rond in het duister. Iedereen heeft misschien een stukje van de puzzel in handen, maar dat beseffen we niet. Ik ging akkoord omdat dan anderen in ieder geval weten welk stukje ik in mijn bezit heb, zodat we samen kunnen doen of we er iets van begrijpen.
De programmamakers waren vriendelijk en zoals gebruikelijk duurde het voorgesprek dat we voerden tien keer zo lang als er tijd was om het via telefoon en radio in duidelijke woorden te gieten. We hadden alles doorgenomen, maar toen het interview begon werd ik verrast. Na zijn introductie zei de presentator tegen mij:
"En hoe ging dat nu bij u mijnheer Wolffers? Was u altijd de dokter bij het spelletje?"
Door mijn stomme neiging om altijd te proberen zo eerlijk mogelijk te zijn, zat ik een beetje in de knoop. Om in dat radioprogramma precies alle details te geven over hoe ik mijn eigen lichaam ontdekte, leek me geen geweldig idee. Ik liet het daarom bij de opmerking dat ik op jonge leeftijd nog niet wist dat ik dokter zou worden en eigenlijk per ongeluk geneeskunde ben gaan studeren. Het kon niet anders, want als ik niet medicijnen of theologie ging doen moest ik in militaire dienst. Vervolgens ratelde ik door om te zorgen dat de interviewer nooit meer aan het woord kwam. Op een gegeven moment hoorde ik hem een wanhopig pogingen ondernemen om ertussen te komen.
"Mijnheer Wolffers, mijnheer Wolffers," zei hij eerst bescheiden en daarna wat opdringeriger.
"Ik weet het," zei ik. "Ik moet stoppen, want anders draai je me weg."
Seksualiteit heb ik altijd het allerinteressantste onderwerp gevonden dat je maar kunt bedenken. Leven zonder seks was voor mij iets als een bestaan in de gevangenis waar je alleen water en brood krijgt voorgezet. Van jongs af aan ben ik nieuwsgierig geweest naar alles wat er ook maar enigszins mee te maken heeft.
Toevallig speelde ik vroeger geen doktertje maar walvisvaardertje. Bij het verdelen van de rollen was ik soms een walvis, soms een walvisvaarder, en in die tijd werd er al voor het voortbestaan van het gigantische zoogdier gevreesd. Dus moest de walvis zorgen dat hij uit handen van de walvisvaarders bleef. Toch werden we vaak op onze verstopplek gevonden. De walvisvaarders leefden in een tent die gemaakt was van een oud stuk gordijn dat van de bovenkant van het prikkeldraadhek achter onze flats schuin omlaag was gespannen. Daar werden de gevangen walvissen naartoe gebracht en grondig onderzocht. Onze kleding was de huid die werd opengetrokken. We leefden in een eerlijke wereld en zowel jongens als meisjes deden aan dit opwindende tijdverdrijf mee. De periode dat we dit avontuurlijke spel speelden duurde kort en voetbal, waarbij meisjes niet mee mochten doen, eiste ons al snel weer op. Het gevolg van deze naschoolse activiteiten is dat ik een groot tegenstander van het uitmoorden van potvissen of blauwe vinvissen ben geworden.
Ik was acht en wist niet dat ouders het een probleem vinden als hun kinderen creatief bezig zijn. Maar ik was wel zo verstandig er nooit iets over aan mijn moeder te vertellen. Zij was nu eenmaal niet zo'n enorme natuurliefhebber en doneert nog steeds liever aan UNICEF dan aan GREENPEACE.
Sinds de arts in het ziekenhuis de magische woorden 'achttien maanden' uitsprak, is er iets veranderd. Eerst was er schrik omdat mijn walvissoort met uitsterven wordt bedreigd. Spoedig daarna kwam de behandeling die mijn mannenhormonen vermoordde. Mijn belangstelling voor seks is daardoor diepgaand veranderd. Zou ik helemaal alleen leven, dan zou dat geen enkel probleem opleveren, maar na drieëndertig jaar met Marion te hebben geleefd, levert die verandering soms strubbelingen op. Ik probeer actief aan seks deel te nemen, maar het boeit me gewoon niet meer zo erg als voorheen. Alles functioneert nog zoals vroeger, maar het is alsof er iets in mijn lichaam ontbreekt waardoor de lust voor wat ik zie en waarvan ik dondersgoed weet dat het eigenlijk opwindend is, niet automatisch opkomt. Alles is nog mogelijk, maar het vereist een grote wilsinspanning en niets is meer vanzelfsprekend.
Vorige week moest Marion iets ophalen dat ze bij de Wolfordwinkel besteld had. Voorheen was dat mijn lievelingswinkel. Alleen het rondkijken naar het luxe ondergoed en me voorstellen dat ze dat aan had was al prikkelend. Als Marion daar iets uitprobeerde stond ik ongeduldig te wachten om zodra ik kon in het pashokje te komen kijken. Ik vond dat leuker dan het kopen van gymschoenen.
Het regende pijpenstelen en Marion vroeg of ik haar even wilde vergezellen, zodat ze dan geen parkeerplaats hoefde te zoeken, en geen enorm eind door de regen zou hoeven lopen. Ik stond erop om tegenover de winkel in de auto op haar te wachten zodat we snel terug naar huis konden rijden. Ik was lekker aan het schrijven en wilde het liefst zo snel mogelijk daarmee doorgaan. Een politieagent maande me verder te rijden omdat ik hinderlijk geparkeerd stond en ik belde Marion op. Ik kon aan haar stem horen dat ze zich ergerde en ik neem aan dat ik haar stoorde in het pashokje. Op mijn beurt irriteerde het me weer dat ze me niet onmiddellijk te hulp schoot, afrekende en naar me toe rende. Uiteindelijk kwam ze en gaf mij als cadeautje een paar zwarte Wolfordsokken. Pas 's avonds vlak voor we naar bed wilden kregen we de woordenwisseling die 's middags was uitgebleven. "Sinds je weet dat je die ziekte hebt, zie je me niet meer," zei Marion.
Wat moest ik in hemelsnaam terugzeggen? Ik zie haar nog wel, maar niet meer met de zelfde ogen als vroeger. Toen ik het haar probeerde uit te leggen maakte ik het alleen maar erger. "Dat betekent dus," concludeerde ze, "dat je al die jaren alleen maar naar me hebt gekeken omdat je een geil gevoel had. Je keek niet echt naar mij. Eigenlijk heb ik nooit bestaan als persoon, maar uitsluitend als lustobject. In wezen had ik ieder ander kunnen zijn."
Zwakjes verdedigde ik me. Ik voerde aan dat ik vreselijk onzeker geworden was en dat het moeite kostte om altijd te doen of er niets aan de hand is. Haar woorden raakten me echter diep omdat ze eigenlijk vertelde dat er door mijn gedrag een kant van haar aan het dood gaan was.
"Je begrijpt het ook helemaal niet," zei Marion met iets moedeloos in haar stem. "Het gaat om alles erom heen, je interesse in mij. Alleen je eigen dingen tellen nog en daar hoor ik niet meer bij, tenzij jij mij daarbij nodig hebt, zoals samen tennissen, samen eten, met mij een film zien. Maar waarbij ik jou misschien nodig heb, dat kun je niet meer opbrengen. Je probeert krampachtig alles onder controle te houden omdat je dan misschien niet dood zult gaan, maar dat hou je uiteindelijk toch niet tegen. We gaan allemaal een keer dood en ik misschien wel eerder dan jij. Je hebt zeker nog vijftien jaar. Wat er door die krampachtigheid bij jou overblijft is routine en vluchtigheid. Laten we die jaren optimaal met elkaar gebruiken, want wat doen we anders nog bij elkaar?"
Een goed schrijver weet als hij geconfronteerd wordt met zinnen die genadeloos juist zijn, dat alle verdere woorden overbodig geworden zijn.
We keken samen naar een mislukte film op dvd, en het was ver na middernacht dat we walvisvaardertje speelden, zodat we gezuiverd konden gaan slapen.


Terug