| Week 2004 07 Naima kon een paar weken niet bij ons schoonmaken omdat ze naar Marokko moest. Haar moeder in Casablanca werd steeds zieker en dat was te wijten aan de verdwijning van Naima's jongste broertje een paar jaar geleden. De familie was bang dat de jongen in een slecht milieu was terechtgekomen. Er waren aanvankelijk wat mysterieuze dreigtelefoontjes geweest en vervolgens had niemand ooit meer iets van hem gehoord. Leefde de jongen nog wel? Naima vroeg om een flink voorschot en regelde haar vlucht. Dacht ze het als losgeld te kunnen gebruiken? Terwijl zij weg was konden wij ook beter op reis gaan zodat ons huis niet vuil kon worden. We waren ook nodig aan iets nieuws toe. De taxichauffeur stond 's morgens vroeg breed lachend voor de deur. "Hoe gaat het nu?" vroeg hij. "Ik heb het boek dat je me gegeven had achter elkaar in vier dagen uitgelezen. Waar gaan jullie naartoe?" "Wandelen op Madeira," antwoordden we. "Lekker in je korte broek," zei hij. We moesten eerst nog sneeuw schuiven voordat het hek van onze tuin dicht kon en dat maakte ons extra blij dat we even weg gingen. Zoals meestal, was het idee snel opgekomen en we hadden ons niet voorbereid. We wisten niets over Madeira, behalve wat algemene vaagheden, zoals dat het bij Portugal hoort en dat de Madeirawijn er vandaan komt, maar niet wat je precies aan kleding mee moet nemen. "Het regent er wel veel," zei de taxichauffeur. Het regende die week helemaal niet. De hemel was steeds strak blauw. De zon was bij elke wandeling aanwezig en ik betreurde het dat ik de taxichauffeur niet eerder had gesproken zodat ik een korte broek in mijn koffer had kunnen stoppen. Een regenjack hoort standaard bij de wandeluitrusting. Binnen een dag waren we Madeiradeskundigen. We kenden de naam van de hoofdstad van het eiland. We wisten dat we over de paden langs waterkanalen - de levada's - moesten lopen. We leerden de namen van de bestemmingen kennen. Elke dag liepen we een uur of zes voordat we in de verte het plaatsje zagen waar we de nacht zouden doorbrengen. Ik voelde snel mijn conditie beter worden. Aanvankelijk waren mijn beenspieren stijf als we stukken hadden geklommen, maar dat verdween spoedig. Ik was weer de oude, die alles aan kon. "Het lijkt of mijn geluk is teruggekeerd," zei ik tegen Marion. "Toen we vorig jaar om deze tijd in Zuid Afrika gingen wandelen regende het alleen maar. Nu schijnt de zon voortdurend. Als ik me zorgen begin te maken over de juiste route en de routebeschrijving consulteer, dan blijken we precies bij het pad te zijn gekomen waar we rechtsaf moeten slaan. En als we bij de bushalte lezen dat we de laatste bus net gemist hebben en anderhalf uur moeten wachten op de volgende, komt deze net aanrijden omdat hij een kwartier vertraging had." We liepen langs hoge klifpaden. Rechtsonder, een paar honderd meter lager bij de rotsen in zee was de onvermijdelijke dood. Links was een hoge rotswand, waar we af en toe hoogstens tegenaan leunden. We konden alleen maar rechtdoor of terugkeren. Dat laatste was geen optie, want we wilden verder, met nieuwe uitzichten kennis maken. Op één van onze routes moesten we naar de Caldeirão Verde. De tocht ging vandaar door naar de Caldeirão Inferno. Ons wandelpad liep langs de noordzijde van een berg, waar de zon nooit kwam en waar het pad vochtig en dus glibberig was. Het werd steeds smaller. Daar waar een hek hadden moeten staan, lag dat nu nutteloos een paar honderd meter lager en paaltjes die wat steun hadden kunnen geven bleken los te zitten. We gingen steeds dichter bij de rotswand lopen om ons daar met onze nagels aan vast te klampen in geval van nood. De Caldeirão Verde was nog wel gemakkelijk bereikbaar, maar op het traject naar de Caldeirão Inferno werd het pad nog smaller en gladder. "Ik heb het wel gezien," zei Marion. "Ik ga terug. Het heet niet voor niets Inferno. Die hoef ik echt niet te zien." Ik probeerde haar over te halen. "We zijn er bijna," zei ik. "Hoogstens nog een kwartier." "Nee," antwoordde Marion beslist. Ik liep snel een stuk vooruit en riep: "Hier wordt het al weer gemakkelijker." Haar besluit stond vast. "Ga jij maar alleen," zei ze. Dat vond ik geen goed plan en we keerden samen terug. "Ik begrijp niet dat iemand die geen vlees eet, geen zuivelproducten gebruikt en geen alcohol meer drinkt om te voorkomen dat ie dood gaat aan een ziekte al die risico's wil nemen om de hel te kunnen zien," zei ze me later. 's Avonds in het hotel waar Marion aan haar roman werkte, probeerde ik op de televisie tussen alle Portugese zenders de BBC of CNN te vinden om het nieuws te zien. In de reclamepauze was er een advertentie. Een diepe stem zei: "When was the last time that you did something for the first time?" Voor mij was dat onvoldoende aanleiding om voortaan Jordanian Airways te vliegen, maar ik dacht er wel over na. We gaan nooit voor een tweede keer naar een gebied waar we met plezier hebben gelopen. We willen altijd nieuwe wandelingen. Alleen steden zoals Rome, New York, Parijs of Barcelona wil ik terugzien omdat er andere tentoonstellingen en voorstellingen zijn. Steeds terug te keren naar de plaatsen waar je dacht dat je gelukkig was zou me erg droevig stemmen, alsof het beste al geweest is en je het terug probeert te vinden. Hoewel je als schrijver altijd dezelfde mens blijft en je visie op wat er rondom je gebeurt niet wezenlijk verandert, ben ik ook wat betreft het schrijven doodsbang voor herhaling. Soms lijkt het zelfs of ik ervoor vlucht. Nadat ik in 1978 in de Volkskrant weken lang geschreven had over sterven, dacht ik dat ik wel klaar was met het onderwerp. De columns werden gebundeld en van het boekje 'Een eindje meelopen' werden meer dan veertigduizend exemplaren verkocht. Het was een succes waar ik niet in geïnteresseerd was. Regelmatig werd ik gevraagd lezingen over het onderwerp te houden. Ik weigerde altijd en zei verontschuldigend: "Ik heb er geen verstand van want ik ben nog nooit dood gegaan." Ik was al lang weer bezig met nieuwe onderwerpen en het leven ging verder. Elke moeilijke bocht belooft een nog mooier uitzicht. Op een gegeven moment zagen we in de verte een klein plaatsje dat volgens onze papieren Porta da Cruz moest heten. "Ik denk dat het nog twee uur lopen is," zei ik tegen Marion. "Besef je dat je geen problemen meer hebt met je blaas en je darmen," zei ze. "De rol WC papier in je rugzak heb je nog niet nodig gehad." Ze had gelijk en het was me niet opgevallen omdat het ooit normaal voor me was. Ik maakte me wel onmiddellijk grote zorgen wat ik zou moeten doen als het anders was. Op dit smalle pad hoog boven de zee was geen ruimte voor noodstops. Het hotel in Porta da Cruz lag pal aan zee en vanaf het balkon van onze kamer konden we de kleine baai overzien en de kliffen waarover we gewandeld hadden. Hoe aangenaam het er ook was, we wilden weer wandelen en we liepen door het dorp waar veertig huizen en een kerk stonden. Ergens aan het strand sloegen we een pad in naar wat rotsen. We verrasten een vrouw van een jaar of veertig en een veel jongere man, die elkaar tegen een rots beminden. Verderop waren vier mensen aan het vissen. Een man, zijn vrouw en twee vrienden. Twee van de mannen hadden een hengel vast. Een harde schreeuw trok onze aandacht. Aan een van de hengels hing een bijzonder grote heftig bewegende volwassen vis. Het was moeilijk het dier binnen te halen. De visser was bang dat de lijn zou breken. Zijn vriend moest snel een emmer halen en aan zijn vrouw gaf de visser opdracht van de rotsen af te dalen naar zeeniveau en de vis te pakken. De worsteling van de vis was imposant. Ineens begon de man te vloeken, smeet de hengel op de rotsen en schold zijn vrouw en vriend uit. De vis had gewonnen. Dit was de laatste keer dat de vis voor het eerst oog in oog met de dood had gestaan had. Dat hoefde van die vis niet nog eens te gebeuren. Met als aandenken een kapotte lip en veel wijzer geworden zwom de hij door. Hij was nog niet klaar. Terug |