Week 2004 09
Als iemand me zou vragen of ik de beste jaren in mijn leven wil opnoemen zou 2003 er zeker bij horen. Er zitten eigenlijk geen slechte jaren tussen, maar enkele jaartallen van mijn levenspad zijn extra verlicht omdat ze de route die ik gegaan ben goed markeren. Zo is er 1953. Het jaar van de watersnoodramp en mijn eerste samenhangende herinneringen. De muren die de tuin afgrensden tegenover onze flat waren omgewaaid. Platte vrachtwagens reden door de straat en mensen brachten daar hun oude kleren en dekens om de slachtoffers te helpen. 1968: Ik doe eindexamen en ga naar Parijs om de meirevolutie mee te maken, want er is een mooie, nieuwe wereld op komst. 1971: ik ontmoet Marion en mijn leven verandert radicaal omdat er vanaf dat moment iemand is voor wie ik heel bijzonder wil zijn. 1973: Kaja wordt geboren en de tot dat moment vage verantwoordelijkheid voor een betere wereld verandert in concrete zorg. 1977: we maken met z'n drieën onze eerste reis naar Indonesië en ons leven wordt anders omdat we leren wat armoede betekent. 1983: ik ben met Kaja in Sri Lanka voor mijn proefschriftonderzoek en de Singalezen besluiten de Tamils uit hun huizen te verjagen en te vermoorden. Vriendelijke Boeddhistische priesters veranderen in oorlogszuchtige volksopruiers omdat ze vinden dat de Tamils niet op hun eiland thuis horen. 1988: in een huurauto maken we een maanden durende reis van bijna 20.000 kilometer door de Verenigde Staten en leren van het migrantenland te houden. Vervolgens komt er een lange periode waarin geen van de jaren extra aandacht vraagt, maar dan is er ineens 2003, het jaar waarin ik leer dat het leven niet oneindig duurt. Nu is het 2004 en mijn leven moet gewoon verder gaan. De route is nog niet helemaal gevolgd en daarom zit ik, net als in 2002 en in de jaren daarvoor weer in het vliegtuig naar Kuala Lumpur.
In de hoofdstad van Maleisië staat het kantoor van de organisatie die mensenrechtenactiviste Irene Fernandez en ik op hebben gezet en welke zich bezig houdt met onderzoek en actie rond migranten en gezondheid in Azië. Het is weer tijd voor een vergadering waarbij alle Aziatische leden en ik bij elkaar komen. Ik heb het recht opgeëist een jaar lang met mezelf bezig te zijn, maar nu kan het weer.
Als ik aankom begint het net licht te worden en in de taxi van het vliegveld naar de stad geniet ik van het silhouet van de trotse palmbomen, van het kijken naar de mannen op hun brommers op weg naar hun werk met een jas achterstevoren aan om hun borst te beschermen tegen de ochtendwind en van de vele protons en kijangs in het verkeer, want dat zijn de auto's die de Maleisiërs zelf maken. Via de autoradio hoor ik de zoete Maleise liedjes waarin vele malen de woorden hatiku - ik hou van jou - en cinta - liefde - voorkomen. Ik heb Azië gemist.
Nadat ik mijn vermoeidheid in het hotel heb proberen weg te slapen ga ik naar buiten en maak de wandeling die ik altijd maak op de eerste dag dat ik in de stad ben. Omdat het hotel in het Indiase gedeelte van de stad staat, loop ik eerst door 'silkstreet', langs de grote fel verlichte winkels waar zijden sari's in allerlei kleuren verkocht worden. De geur van Indiase wierook overheerst hier. Ik ben op weg naar Chinatown, waar het ruikt naar het Chinese eten dat op straat wordt bereid, om er wat dvd's te kopen. Daarna naar Bukit Bintang en Lot Ten, winkelcentra waar ik altijd als ik er ben een nieuw snoertje met oortje voor mijn mobiele telefoon koop en tennisschoenen als ik eraan toe ben. Hier hangt de geur van kretek van de Indonesische migranten die bij de ingangen met elkaar staan te praten als ze niets te doen hebben. Uiteindelijk kom ik terecht in de Jalan Perak, waar de rijken hun geld uitgeven en waar een Japans restaurant is waar ik graag kom. Men is er aan het verbouwen. Op een bord staat: Soon to come: Hans' German Pub. Omdat ik wat moet eten ga ik naar de overkant en beland in een Thais restaurant, waar ik aandachtig de kaart bestudeer. Alles blijkt ineens anders, want ik kan mijn favoriete gerechten niet meer zomaar bestellen. Tom Yam Kung is uitgesloten omdat mijn bestraalde darmen het niet aan kunnen. Tom Kha Gai kan niet omdat ik geen vlees meer eet. Uiteindelijk beperk ik me tot een groot glas watermeloensap en wat viskoekjes.
De volgende dag op het kantoor van onze organisatie zie ik blijde gezichten. Vermoedelijk komt het doordat ze opgelucht zijn dat ik niet kaal ben geworden door de behandeling of er vreselijk slecht uitzie, zodat degene die tijdens de vergadering tegenover me zit niet in verlegenheid wordt gebracht en weg moet kijken. Ik moet me ook verantwoorden, zoals Japanners en Duitsers zich jaren lang hebben moeten verantwoorden. Ik kom immers uit het land waarover in hun kranten staat: "Dutch start deportation of 26,000 refugees". Hoe moet ik dat in hemelsnaam uitleggen? Dat ik ertegen ben, maar niet weet hoe het te stoppen valt? Dat ik hoop dat de God waarin onze ijdele politici geloven ze op tijd hun menselijkheid teruggeeft?
"Wat wil je voor de lunch hebben?" vragen ze.
"Geen dierlijke producten, behalve vis en als het kan tomaten," zeg ik, want op die manier probeer ik de greep op mijn lichaam te behouden.
Mijn Aziatische vrienden zijn er allemaal van overtuigd dat het heel verstandig is dat ik een dieet volg, want daarmee ben je alle gezondheidsproblemen snel de baas. Ze komen stuk voor stuk met voorbeelden van mensen die opgegeven waren, maar door een goed dieet er weer helemaal bovenop zijn gekomen. Ik heb het gevoel dat ik vanaf dat moment niet veel meer te vertellen heb, want als ik suggereer dat ik misschien wat sushi kan laten komen kijken ze me verbaasd aan.
"Nee, dat is kleefrijst," zeggen ze. "Dat verhit het lichaam. We moeten gewone gestoomde rijst hebben. Dat is verkoelend."
"Groenten?" suggereer ik voorzichtig.
Groenten moet ik zeker eten en er ontspint zich een discussie over welke groenten het dan wel moeten zijn. Hetzelfde gebeurt als de vissoort bepaald moet worden. Hier ontdek ik een duidelijk verschil van mening tussen de Chinezen en de Indiërs. Hoewel ik geen idee heb over welke vissen het gaat omdat ze de lokale namen gebruiken, blijkt men te discussiëren over hun helende kwaliteiten. Uiteindelijk wordt men het eens. Het moet een pomfret zijn. Ik heb geen idee wat een pomfret is en pas als ik terug ben in Nederland kan ik het woordenboek consulteren. De vis mag volgens hen niet worden gebakken, maar moet worden gestoomd. Ze zijn het overigens wel snel met elkaar eens waar mijn maaltijd gehaald moet worden. Niet bij een Indiaas restaurant, want daar gooien ze alles door elkaar. Niet bij het halal Indonesische restaurant beneden, want je weet nooit wat Indonesiërs in werkelijkheid gebruiken. Het moet gehaald worden in een Chinees restaurant want Chinezen zijn in staat om alles wat beweegt en zelfs wat niet beweegt smakelijk te bereiden en ze doen wat ze beloven.
Rond lunchtijd zit ik achter een grote berg rijst, een afzichtelijke vis - want er was geen pomfret en dus moest het toch iets anders worden - en een kom heet water waar kankung in drijft. Heel veel smaak zit er niet aan, hoewel de vis wel lekker zoet is. Omdat ik merk dat ze af en toe een verwachtingsvolle blik op me werpen probeer ik alles schoon op te eten.
"Eet je de tong, de wangen en de ogen niet?" vraagt iemand.
"Dat is het lekkerst hè," antwoord ik beleefd.
Ze knikken. Vooruit dan maar. Die wangen krijg ik nog wel weg, maar met die ogen heb ik toch moeite en de tong zit in die grijnzende bek van de vis. Ik kan er niet toe komen daar mijn chopsticks in te steken.
"Pffff, ik zit vol," zeg ik. "Ik kan niet meer."
Snel vouw ik de plastic zak en de krant waarin mijn maaltijd gebracht is dicht zodat de ogen van de vis mij niet meer aankijken.
's Avonds ga ik een Sogo warenhuis in en bezoek de sushi afdeling. Heerlijk. Ik weet zeker dat de sushi unagi die ik eet niet door de keuring zou zijn gekomen. Ik kan me voorstellen dat mijn Aziatische vrienden aal te verhittend voor mijn lichaam vinden. Zo'n aal eet immers alles wat op de vloer van de rivier te vinden is. Ik wil mijn leven echter weer oppakken omdat het zo vreselijk goed was en het niet een volledig nieuw begin geven. Het voordeel is bovendien dat die sushi unagi geen ogen heeft die me ter verantwoording roepen.
De vergadering verloopt goed en na drie lunches waarbij ik telkens opnieuw oog in oog met een vis sta, is het weer voorbij. In de taxi terug naar het vliegveld val ik onmiddellijk heel tevreden in slaap en ik weet dat 2004 ook weer zo'n goed jaar gaat worden.


Terug