| Week 2004 11 "Ben je aan het afbouwen?" vroeg Fred de masseur me terwijl hij met mijn rug bezig was. Al mijn spieren spanden onmiddellijk samen in een kramp van walging. Ik wist onmiddellijk weer waarom mijn woorden tijdens het masseren altijd meer bedoeld zijn om gesprekken uit de weg te gaan. Ik heb er geen enkele behoefte aan als ik veel moet nadenken. Mijn eigen vrije associaties, dat is leuk genoeg. Ik ben altijd verbaasd te horen dat mensen hun intimiteiten delen met iemand die ze masseert. Ze zullen de stiltes wel vrezen. "Ben je nou helemaal gek?" vroeg ik. "Natuurlijk niet." Alleen het woord al. Het hoort bij die woorden die mensen van elkaar overnemen om te laten horen dat ze modern en bij de tijd zijn. Die neiging om altijd maar jong en onsterfelijk te lijken heeft de babyboomergeneratie uiteindelijk een beetje belachelijk gemaakt. Ik mag er dan zelf ook toe behoren, maar al die halfzachte marketing- en managementtermen zijn helemaal zonder poëtische potentie en ik vermijd ze zo veel mogelijk. Van afbouwen en onthaasten tot tweeverdieners en bewonersoverleg. Wat dat betreft heb ik met mijn moeder een zekere schaamte ten aanzien van zulke termen gemeen. Ze spreekt ze met gespeelde naïviteit verkeerd uit. Zo vertelde ze me van de week nog dat ik haar niet zo vaak hoefde te bellen, want ze was erg druk met de 'frutselclub' omdat ze het woord knutselclub niet uit haar mond krijgt. "Je weet wel, zodat die Roemeense kinderen niet in holen hoeven leven," voegde ze eraan toe. Ze slaat ook overbodige zinnen over en heeft daarom geen zin te vertellen dat wat ze maken verkocht wordt op de bazaar en naar een goed doel gaat. Op mijn veertiende ging ik voor het eerst naar fuifjes. Dat is ook een woord dat aan onze generatie kleeft, maar het gelukkig niet heeft overleefd. "Tien uur thuis," zei mijn moeder en tot ik een jaar of zestien was hield ik me aan wat ze zei. Ik voelde me wel onbegrepen, maar ik was een goede jongen. Het maximale tijdstip van thuis komen werd steeds wat later, maar toen ik eenmaal een bromfiets had bleek mijn talent om tijden te schatten volledig verdwenen en kon mijn moeder zeggen wat ze wilde, maar ik slaagde er niet meer in op de door haar gewenste tijd thuis te zijn. Om tien uur naar huis gaan was op mijn veertiende jaar helemaal zo gek nog niet, want ik durfde toch nooit een meisje te vragen om mee te dansen en na twee uur in een vrijwel donkere ruimte, versierd met visnetten en lege chiantiflessen, naar een bandje te hebben geluisterd begon ik me ook behoorlijk te vervelen. Toch was er ook altijd de wens om te blijven, want om kwart over tien kon het wel vreselijk leuk worden. Ik zou iets erg opwindends kunnen missen als ik om halfelf thuis mijn boek zat te lezen. Daar heb ik het afgelopen jaar vaak aan moeten denken. Te vroeg dood gaan is als voortijdig een feest te moeten verlaten met het gevoel dat het leukste misschien nog wel moet komen. Ik ervaar het leven als een feest en heb trouwens geen enkele behoefte al weg te gaan. Bovendien is er geen enkele zekerheid dat als ik het feest verlaten heb, ik de boeken met verhalen van Tsjechov mag lezen. Minder werken is daarom niet aan de orde. Wat ik altijd gedaan heb was leuk en daar ga ik mee door. Nu ik weer de verantwoordelijkheden oppak, waar ik me een jaar lang van ontslagen voelde, merk ik wel dat er veel is dat niet meer hoeft. Vooral heb ik moeite met vrijblijvend gebabbel met mensen die ik niet goed ken, vergaderingen waar men zich niet zakelijk beperkt tot waar het over moet gaan maar zich ook nog eens zo nodig wil bewijzen en ook met te veel afspraken in korte tijd. Mijn hoofd is op zulke dagen als een duiventil van gedachten die binnenvliegen en weer verder gaan zonder zelfs een klodder vogelpoep achter te laten. Voor schrijven is het belangrijk om gedachten te koesteren tot er woorden aan kleven. Daar is tijd voor nodig en die moet je vrij houden. Voordat de dokter me vorig jaar vertelde hoe laat ik thuis moest zijn, was ik er niet altijd goed in om mezelf te beschermen tegen losvliegende duiven. Dat wil ik wel veranderen. Marion's tantes vormen een soort team om me te helpen. Ze weten het niet van elkaar, maar moedigen me aan. Ik ben altijd gek geweest op die Indische tantes en heb me verheugd over hun koketterie, hun kookkunst en hun namen. Van tante Tatie, tante Toetie en tante Tietie tot tante Pop en tante Zus. Ze hebben het tot hun taak gemaakt me moed in te spreken. Af en toe als ze me net op televisie gezien heeft belt tante Non, die tachtig is, op om me te verzekeren dat ik een knappe man ben. "Ik blijf kijken", zegt ze. "Elke vrijdag." Ik moet dus wel doorgaan. Tante Po van achtenzeventig die ook veel tv kijkt, belt om te zeggen dat ik er weer beter uit zie. Een paar maanden geleden toen ik nog bestraald werd stonden mijn ogen dof, zei ze. Nu is ze blij, want mijn ogen twinkelen. En tante Zus van tweeënnegentig heeft goed nagedacht over wat ik nodig heb en ze gaat me lontjeng sturen. Ik heb het altijd goed gedaan bij vrouwen van mijn moeders generatie. Ze geloven in me. Misschien omdat ik de ideale schoonzoon lijk, want je kunt me bellen als je niet weet wat je met je hoofdpijn aan moet, wat je moet doen als je je pil vergeten bent te slikken of wat je aan je dokter moet vragen. Deze week was zo'n week zoals ik ze vroeger te vaak had. Net wat te veel mensen om te woord te staan en een telefoon die telkens ging, maar het was nooit de persoon waarop ik hoopte. Het leek weer op vroeger. Nergens was meer tijd voor en ik dreigde zelfs te vergeten dat ik tegen een ongeneeslijke ziekte was opgelopen. Vijf weken geleden was er bloed geprikt en ik had het te druk gehad om naar het ziekenhuis te bellen en te vragen wat de uitslag was. Met de uroloog moest ik nog een afspraak maken voor de eerste controle na mijn behandeling, maar ik vergat telkens te bellen. Nee, Fred had de verkeerde vraag gesteld. Ik ben juist bezig alles weer op te bouwen, maar het moet wel een beetje anders. Het mag nooit meer worden zoals voorheen. Nadat de massage was afgelopen belde ik onmiddellijk naar mijn Iraanse arts om te informeren naar mijn bloeduitslag. "Alles goed?" vroeg hij. "Ja," antwoordde ik. "Ik kijk elke vrijdagmiddag naar je op tv," zei hij. "Ik zoek die bloeduitslag wel even op en bel je zo terug." Vijf minuten later belde hij om te vertellen dat er met mijn bloeduitslagen niets mis was. Vervolgens moest de afspraak met de uroloog gemaakt worden. "De eerste datum die ik beschikbaar heb is zeven augustus," zei de vrouw. "Dat kan niet," reageerde ik. "Ik moet in april voor controle komen. De eerste week." "Dan had u misschien eerder moeten bellen," zei ze vriendelijk. Soms begrijp ik de diepe haat die mensen ontwikkelen ten aanzien van de gezondheidszorg. Die onverzettelijke bureaucratie. Het gebrek aan bereidheid zich in een ander te verplaatsen. Ik moest iets extra's ondernemen en besloot het woord 'collega' in te zetten. De meeste artsen vinden dat ze tot een soort broederschap behoren. Menigeen schrijft nog boven de brieven aan een andere arts 'amice collega', alsof 'Beste Anton' niet veel leuker zou zijn. "Vraag het anders maar even aan collega X zelf," spoorde ik de vrouw aan. "Ik weet zeker dat X ook graag wil dat ik in april kom." "Bent u dan ook arts?" vroeg de vrouw beleefd. "Inderdaad," zei ik wat vormelijk. "Ik zal het hem zo vragen," zei ze. "En dan bel ik straks even terug." Het was zo gebeurd. Ik kan in de eerste week van april komen: de eerste officiële controle om te zien of de behandeling enig effect heeft gehad en of het niet terug komt. Afbouwen? Ik moet er niet aan denken om minder te gaan doen; het moet wel beter zodat ik meer kwaliteit uit minder tijd haal. Evenmin bevalt me het idee dat ik verder voortdurend aan de leiband van de gezondheidszorg mijn leven moet indelen. Dat moet tot een minimum beperkt blijven. Onder aanmoediging van de Indische tantes van Marion probeer ik nog een tijdje rond te hangen op mijn fuifje tot ze me weg moeten dragen. Terug |