| Week 2004 12 Ineens hing er aan een van de bomen in de straat bij ons achter een zelfgemaakt bordje van een van de omwonenden. "Voorzichtig paddentrek!" stond erop. Het is de bedoeling dat auto's hier niet te hard rijden en uitkijken dat ze geen overspringende padden platrijden. Nederlanders zijn soms liever voor padden dan voor asielzoekers. Als het bordje op de juiste plaats hangt, gaan die paddenmigranten dus ook dwars door mijn tuin. Het verklaart waarom soms verdwaalde padden als het donker is onbeholpen tegen de voordeur op springen. Ik kan ze niet helpen, want ik weet niet of ze van links naar rechts of andersom reizen en waarom het in het ene bos beter is dan in het andere. Ik begrijp de motieven van mijn medemensen soms al nauwelijks, laat staan dat ik snap wat er in een pad om gaat. Een bom in een trein om mensen die op weg naar hun werk zijn onverwacht op donderdagochtend het leven te benemen? Het is moeilijk om opgewekt te blijven over de menselijke soort. Toch vroeg iemand mij onlangs hoe ik in mijn omstandigheden zo optimistisch kan blijven. Het was een hinderlijke vraag. Als ik er serieus op antwoord gaat dat tegen mijn behoefte in om alles te relativeren, maar als ik me er gemakkelijk van af maak is het erg onaardig. Waarom lachen sommige mensen als het slecht gaat? Het is een beetje als het doen van de afwas. Vervelend werk, dus je kunt er maar beter bij zingen. "Ik heb toch helemaal geen echte keus," zei ik daarom. Wie niet zingt bij de afwas is dubbelslachtoffer. Pech in het leven is jammer, maar aanvaardbaar. Lijden door die pech is niet erg koel en getuigt van gebrek aan stijl. 'Koel' vind ik een mooi concept. Onder alle omstandigheden onverstoord blijven en je niet onderuit laten halen. Ook als de dood achter de deur verstopt staat gewoon doen of je hem wel door had en onbewogen door gaan met je leven. Zo doen de 'masters of cool' dat en daar oefen ik op. Een van de levenswijsheden die ik vaak aanhaal komt uit een Engelse vertaling van een boek van Gramsci. Vergeef me dat ik in het Engels citeer. Gramsci was namelijk helemaal geen Engelsman, maar een Italiaan. Later ontdekte ik bovendien dat de woorden niet van hem zelf afkomstig waren, maar van Chateaubriand, maar ik heb het ook nooit in het Frans onder ogen gehad. "Be optimistic in heart, but pessimistic in mind." Dat is zijn advies en een mooie levenshouding. Op alles voorbereid zijn, want daar zijn we slim genoeg voor, maar toch op het beste blijven hopen. Het is de troost van goed gekozen woorden. Daarom is literatuur ontstaan. Ik heb altijd veel steun gevonden in woorden, die van anderen of van mezelf. Toen ik op de middelbare school eindexamen Nederlands deed had ik een boekenlijst waar meer dan honderdtwintig titels op stonden. Ik las nu eenmaal graag. Daarnaast moesten we een speciaal onderwerp kiezen om over te praten tijdens het mondeling examen. Mijnheer Blessinga van Nederlands drong erop aan dat ik Harry Mulish of Jan Wolkers als gespreksonderwerp zou kiezen omdat ik daar goede spreekbeurten over had gedaan, maar dat vond ik te benauwend. Ik koos 'Nieuwe vormen om het woord bij mensen te brengen'. Het lijkt een wat evangelisch thema, maar dat was het allerminst, want ik wilde over muziekteksten, stripverhalen en filmscripts praten. Allemaal boordenvol vreselijke zonden en heel erg van mijn tijd. Zongen we niet allemaal met Bob Dylan mee 'The times are changing'? Als een hele generatie betoverd wordt door de woorden van een lied, mag je het dan afdoen als vermaak of moet je open staan voor het feit dat we in zo goed mogelijk gekozen woorden uit willen drukken wat ons bezig houdt? En mag je het zien als nieuwe vormen van literatuur? Bevlogen praatte ik de examentijd vol en toen de examinatoren wilde stoppen werd ik boos, want ik was nog lang niet klaar. Pas zat ik in de auto en hoorde een lied van de groep Coldplay. De woorden waren perfect. Voor mij geschreven. Voor zo ver ik het kon onthouden en voorspellen probeerde ik het refrein een beetje mee te zingen. Eerst zachtjes, later wat harder. Ik vraag me af of het nu precies mijn generatie is die zo verknocht is aan z'n muziek of dat alle generaties dat hebben. Het is frappant dat mensen van mijn leeftijd en jonger feilloos de belangrijke gebeurtenissen in hun leven kunnen verbinden met muziek. Ik weet nog wat ik zong toen ik op Marion verliefd werd. Sympathy for the devil. Ik weet nog wat ik voor Kaja zong toen hij een jaar oud was en we samen op de fiets zaten. "Als hij maar geen voetballer wordt. Ze schoppen hem misschien halfdood." Zinnen uit een lied van Boudewijn de Groot. Mijn vaders vader was van een heel andere generatie, maar zong ook met de muziek mee. Met het slavenkoor uit Nabucco van Verdi. Hij was operaliefhebber en elke zondagmiddag om twee uur stemde hij de radio af op de BRT voor zijn lievelingsprogramma. Iedereen moest de kamer uit en hij zong, heftig meebewegend met zijn hand en pijp. Het was goed dat hij nooit operazanger geworden is. Mijn vader zong ook graag, maar hij dacht er wel talent voor te hebben. Lichter genre. Het liefst zong hij "Im weissem Rössl am Wolfgangsee. Da steht das Glück vor der Tür." Het levensdevies dat daarin verborgen zit is waarschijnlijk ook erg optimistisch, maar volgens mij ligt het ergens ver weg in het bos waar de padden naar op weg zijn. Mijn vader slaagde erin om de operette ook opgevoerd te krijgen. In de Amersfoortse markthal stond hij op een keukentrapje te zingen voor één van de dienstertjes van herberg Im Weissem Rössl in de hoop dat ze haar raam voor hem zou openen. Geen kans natuurlijk, want hij was toen al een jaar of vijfenvijftig zoals ik nu ook ben. Ik kan me niet herinneren of mijn moeder ook lievelingsliedjes had. Ze gaat elk jaar op 1 januari voor de televisie zitten om het nieuwjaarsconcert uit Wenen te zien, maar iets met teksten heeft ze volgens mij niet. Sommige mensen zien een stem alleen maar als muziekinstrument en de tekst kan ze weinig schelen. Lalaladoebiedoebiela is al goed. De affiniteit met Wenen en het Duits in mijn familie begrijp ik niet helemaal. De familie van mijn vader was Joods en is in de tweede wereldoorlog verdwenen. Mijn grootvader en vader overleefden het omdat ze zich bij hun migratie van Duitsland naar Nederland in de jaren dertig niet als joods lieten registeren. Mijn moeder was niet joods, maar werd in de winter van 1945 door de SS opgepakt en in de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht gevangen gezet. Het is niet zo heroïsch als het voor een mooi verhaal zou moeten zijn. Men had haar voor een andere vrouw aangezien, die actief in het verzet was. Na een paar dagen kwam ze vrij en onze familiegeschiedenis vertelt dat mijn vaders vader op de fiets naar Utrecht ging om haar vrij te praten omdat hij zo goed Duits kon spreken, maar het bij thuiskomst van angst in zijn broek bleek te hebben gedaan, want hij bleef natuurlijk een geheime jood. Mijn moeder vertelde een keer met weerzin in haar ogen over de mannen die haar op kwamen halen. Ze werden vergezeld door een NSB'er en ze noemde zijn naam. Zijn zoon zat bij ons op de HBS. Op 4 mei gaat mijn moeder elk jaar trouw voor de televisie zitten om naar de dodenherdenking te kijken. Vorig jaar, nadat ik haar juist verteld had wat er met mij aan de hand was, belde ze me op om me te zeggen dat ze er niet meer naar zou kijken. "Al die herdenkingen," zei ze. "Al die vreselijke dingen. Al die mensen die dood zijn en nog dood gaan. Ik wil het niet meer. Ik kijk niet meer. Waar gaat het in hemelsnaam allemaal naartoe?" Ik heb de CD van Coldplay gekocht en gisteren in de auto heb ik weer flink meegezongen. "Where do we go? Nobody knows. I got to say I am on my way down. God give me style and give me grace. God put a smile upon my face." Terug |