Week 2004 14
Er had een interview met Marion in een van de kranten gestaan. Daarin ging het onder andere over de nieuwe roman waaraan ze werkt en die maar langzaam vordert, mede doordat ze in beslag wordt genomen door wat er met mij gebeurt. Het was maar een korte zin in die hele pagina, maar het stond er zo onweerlegbaar in letters, zonder glimlach en niet voorzien van enige waarschuwing. "Omdat Ivan een ernstige ziekte heeft. Hij is nu bestraald."
De week erna werd ik vaak opgebeld door mensen die me vroegen hoe het me gaat. Wat moest ik ze zeggen?
Mijn moeder belde me ook op. Ze had bezoek gehad van een dame uit haar verzorgingsflat, die ze maar vaag kent. De dame had het interview voor mijn moeder meegebracht en gezegd: "Goh, ik wist niet dat je zoon zo ziek was."
Vervelend voor haar, want in zo'n flat is gezondheid het belangrijkste gespreksonderwerp en de hele hiërarchie is gebaseerd op wie het vitaalste is. Mijn moeder is vierentachtig, hoeft geen rollator te gebruiken en slikt evenmin medicijnen. Daardoor heeft ze veel aanzien. Bovendien heeft ze een zoon die arts is en de dames komen bij haar op bezoek voor advies. Als ze er zelf niet uitkomt belt ze mij op om te vragen wat er moet gebeuren met de zoon van Jannie die ME heeft, of de amputatie van het been van Nel echt wel nodig is en of Sjaan niet een andere arts moet kiezen want hij heeft haar tegen de berg op naar het ziekenhuis laten komen, terwijl hij de uitslagen nog niet had en zei gewoon: "Kom volgende week op dezelfde tijd maar weer terug.". Ik geef dan zo goed als ik kan antwoord. Deze keer belde ze me ongerust op en zei:"Maar ik dacht dat het door de bestraling toch over was?"
Er komt een leeftijd dat ouders zich geen zorgen meer over hun kinderen hoeven maken maar de rollen omgedraaid zijn. Toen mijn vader overleed was mijn oma dan ook erg verontwaardigd en zei: "Maar ik was toch eerst aan de beurt". Ik doe wel eens mijn best bezorgd over mijn moeder te zijn, maar het is zinloos. Om te beginnen tref ik haar zelden thuis als ik haar opbel, want ze heeft altijd afspraken en moet zo vaak bridgen dat ik me afvraag of ze 's nachts wel rustig slaapt en niet alle kaarten nog door haar hoofd spoken. Vorig jaar liep ik samen met haar door de tuin en ik vond haar een beetje hijgen. "Ik denk niet dat er echt iets is, maar je moet eens bij de dokter langs. Je piept zo. Misschien is er iets met je hart," zei ik. Twee weken later belde ze me op om te vertellen dat de cardioloog haar onderzocht had en tegen haar zei: "Mevrouw u bent nog zo gezond als een jonge meid".
Ik herinner me niet of mijn moeder vroeger iets deed dat voor haar ijzeren gezondheid zorgde. Gek genoeg weet ik nog maar weinig van mijn vroege jeugd. Van de week vroeg Marion me wat de eerste film was waarbij ik moest huilen. Dat wist ik nog.
"Bambi", zei ik onmiddellijk.
Toevallig was dat bij Marion ook zo geweest. Het zal wel niet voor niets zijn dat we nog altijd bij elkaar zijn. Als ik mezelf wat betreft herinneringen echter met Marion vergelijk ben ik een autist. Zij kan alles nog zo te voorschijn toveren. De pijn, de tranen, de details en wat er gezegd werd. Maar ik? Van wat leuk was herinner ik me alles als een lange zomerdag en van wat vervelend was weet ik niets meer. Vijf jaar geleden vertelde mijn broer op een verjaardag aan iemand hoe mijn net nieuw gekochte bromfiets, waar ik lang voor had moeten sparen gestolen was. Het was alsof ik hem hoorde praten over iemand anders. Mijn Tomos? Ik had geen idee waar hij het over had en ik moest hem helemaal uitvragen. Langzaam maar zeker begon het me pas weer te dagen. Waarschijnlijk verdring ik vrij effectief alles wat pijnlijk is. Eén van Marion's aforismen luidt: 'Er is niet altijd tijd de pijn te lijden van vergeten verdriet'. Vaak heb ik haar gezegd dat ze misschien niet expres aan de pijn van vroeger moet proberen te denken en dat onze hersenen mild voor ons zijn door te helpen vergeten. Daardoor krijgen we meer energie voor de toekomst. Maar het is vergeefs. Zou ze een ander levensdevies hebben dan schreef en schilderde ze waarschijnlijk ook niet.
Het verhaal van Bambi die zijn moeder verliest kwam door ons gesprek in alle hevigheid terug. Ik besefte ook dat ik jaren gedacht heb dat het geen tekenfilm was, maar een echte speelfilm met herten van vlees en bloed die kunnen praten. En ik was Bambi en mijn moeder ging dood. Ik moet een jaar of vier, vijf zijn geweest. Mijn moeder was eerder dat jaar bevallen van mijn broer en zus. Van de ene op de andere dag had mijn moeder veel minder tijd voor me omdat ze de moeder van een tweeling was geworden. Op de gezinsfoto's zie ik mijn ouders zitten, elk van hen met een obsceen grote baby op schoot en ik sta ergens onhandig achter dat viertal met een zelfgemaakte kralenketting om mijn nek. Ik lijk er niet echt bij te horen en durf niet goed naar de camera te kijken.
Er werden veel foto's gemaakt. Mijn broer en zus stonden zelfs in de plaatselijke krant: "Tweeling geboren". Er was vroeger blijkbaar geen ander nieuws. Al Qaeda bestond nog niet en de politici die nu PR medewerkers hebben om ervoor te zorgen dat ze in de krant komen zaten met luiers aan bij hun moeder op schoot, terwijl die PR medewerkers zelfs nog lang niet geboren waren.
We kampeerden die zomer in Otterlo, want mijn ouders vonden dat het gezond was in de vrije natuur te zijn. Mijn moeder zei me een paar keer per dag. "Goed diep inademen. Oude lucht eruit. Nieuwe boslucht erin." Ik deed mijn best.
's Avonds was er de filmvoorstelling van Bambi in de kantine. Ik mocht er in mijn eentje naar toe want mijn ouders waren nu eenmaal druk met de tweeling naar bed brengen. Mijn vader werd op een gegeven moment echter geroepen omdat er een kleuter op rij één hartstochtelijk zat te huilen.
Ik lees alle artikelen die ik over prostaatkanker te pakken kan krijgen, want ik wil niets missen. Daarin staan de percentages. Het zijn net de beursberichten die aangeven hoeveel dividend ik uitgekeerd ga krijgen over vijf jaar. Als ik in deze fase ben en die behandeling volg is de kans dat ik over vijf jaar nog in leven ben 47%. Maar als ik dan ook nog die pillen erbij slik, waardoor ik niet meer de man ben die ik vorig jaar was, dan wordt het 55%. Ik lees alles. Ook de onderzoeken over mannen die de hormoonmedicijnen slikken en op den duur niet meer weten wie ze zijn. En ik lees over hun partners die hun man niet meer herkennen, boos op hem worden, wegvluchten of hem gaan bemoederen. Ik lees over de regelmatige controles die ik onderga en waarbij mijn bloed gecontroleerd wordt. Over de PSA, de bloedwaarde, die nooit meer omhoog mag gaan. Ik lees en lees.
Als mensen me vragen hoe het met me gaat weet ik nog steeds niet wat ik ze precies moet antwoorden, omdat ik het zo moeilijk vind om uit te leggen. Wat moeten ze met de kansberekening, waar het leven uiteindelijk op uit draait? Ik vertel ze liever een anekdote van iets dat ik meemaakte in Cambodja of in Vietnam. Ik kan ze natuurlijk niet verbieden naar mijn gezondheid te informeren, maar zou het fijn vinden als ze andere dingen zouden bedenken die ze van me willen weten. Een beetje variatie. Iets waar ik wel gemakkelijk een antwoord op kan geven.
Mijn moeder vindt de lange stilte in ons telefoongesprek onaangenaam en zegt: "Het is nu toch weg. Het gaat toch echt goed met je Ivan?" "Ja mam, antwoord ik. "Het gaat hartstikke goed."



Terug