Week 2004 15
Omdat het nog in het voorseizoen was konden we de hotelkamer met een aanzienlijke reductie krijgen. "Ik moet het even met de baas overleggen," zei ik voor ik akkoord ging en wees over mijn schouder naar de auto, waar Marion zat te wachten. De Italiaanse hotelmanager kneep me vriendschappelijk in mijn buik en antwoordde lachend "Ach, de vrouwen". Hij betrok me daarmee in het grote wereldwijde mannencomplot van jongens onder elkaar. Elke keer als ik hem de dagen daarna zag kreeg ik een gulle knipoog.
Ze had twee vliegretours naar Milaan en een huurauto geregeld om een lang weekend in de buurt van Stresa te wandelen. Wakker worden in een ruim hotelbed met uitzicht op de Borromee eilanden in het Lago Maggiore is een effectief afrodisiacum. Hormonen zijn de troost voor de armen, die het daardoor overal kunnen doen, maar luxe is het recept voor de hormoonlozen.
"Kun je wel weg in verband met je roman?" had ik haar gevraagd.
"Ik neem alles mee en werk er daar aan," antwoordde ze. "Gewoon een paar uurtjes na het wandelen."
Met een dik manuscript en de laptop waren we vertrokken. Het schrijven van Marion's roman is een geheimzinnig proces voor me. We praten er veel over, maar ik kan niet goed reageren, want ik heb nog geen letter gelezen. Marion's grootste probleem is dat ze vindt dat ze ingehaald wordt door de realiteit en gewoon haar eigen verhaal wil vertellen. Door alles wat er gebeurd is, lijken er andere dingen in haar boek te komen waar ze zich tegen weert en de woorden stromen daardoor minder gemakkelijk dan vroeger. Het lijkt of ze uit graniet moeten worden gehakt. Telkens is er wel weer iets anders dat haar bij het proces stoort. Als ik voor het inslapen aan haar vraag of ze die dag lekker gewerkt heeft, zegt ze: "Zeshonderd woorden verbeterd, maar niets nieuws geschreven."
We zijn zo verschillend. Zelf begin ik te schrijven zonder ook maar ergens op te letten en daarna werk ik eraan tot het geworden is wat ik wil. Na de vierde versie ben ik meestal tevreden. Marion is iemand van details, die het liefst dertig versies schrijft. Alles moet kloppen. Ze gaat naar de plaats waar haar verhaal zich afspeelt omdat ze wil weten hoe het er is. Zelfs de namen van bijfiguren moeten voor haar juist zijn.
"Maak je toch niet zo druk," zeg ik. "Lezers zijn zich helemaal niet bewust van diepgang van zo'n naam."
"Dat kan wel zijn," antwoordt Marion. "Maar alles heeft betekenis en als het niet klopt kan ik er niet aan verder werken."
De titel van haar roman ken ik, want de uitgever had die nodig voor de zomeraanbieding en ik denk dat ik ook weet waarover het gaat.
"Nou waarover dan?" vraagt Marion.
"Over een vrouw die alles verliest," antwoord ik.
Ze is een beetje geërgerd door het antwoord. Het is veel te simplistisch voor het gecompliceerde verhaal dat ze vertelt. Het helpt niet dat ik haar eraan herinner dat ik er niets van heb gelezen en dus nog niet goed in staat ben om een behoorlijke samenvatting te geven. Ze praat bovendien vooral met me wanneer ze vast zit en niet zozeer omdat ze van mij een goede suggestie verwacht. Doordat ze aan mijn hardop moet vertellen wat haar moeilijkheid is, krijgt ze er langzaam maar zeker greep op.
Het doet me denken aan de film 'A distant thunder' van Satyajit Ray uit 1973. Ik zag die film in 1978 toen ik in Bangladesh werkte. Op dinsdagen ontvluchtte ik het beroerde voedsel van het project op het Bengaalse platteland om in Dhaka bij Amerikaanse vrienden brood met daarop mayonaise en tomaat te eten. Collin en Susan, die zeker vijfentwintig jaar ouder dan ik waren, namen me mee naar de filmvoorstelling. De film gaat over een dorp in Bangladesh gedurende de tweede wereldoorlog. Daar wordt honger geleden omdat de Engelsen er rijst halen die ze nodig hebben voor het voeden van hun legers. De dorpelingen verhongeren en zijn bij een verre oorlog betrokken zonder dat ze weten waar die om gaat.
In het hotel in Stresa probeert Marion aan de roman te werken, maar het lukt niet echt. Ze is er teveel uit en kan zich onvoldoende concentreren. Het komt onder andere door een artikel dat ik haar heb laten lezen. Het beschrijft een onderzoek waarin diepte-interviews zijn gehouden met mannen die dezelfde behandeling ondergaan als ik. Ze zijn blij met de verbetering van hun klachten, maar vervolgens vragen ze zich af of het gezien de bijwerkingen wel echt de moeite waard is.
"Ik ben wel verbaasd hoe gemakkelijk je die medicijnen accepteerde," zegt Marion. "Als het om andere mensen gaat, kun je zo hard zijn en vind je dat ze zich eerst goed moeten laten informeren voor ze iets slikken."
"Ik heb alles opgezocht," verdedig ik me. Soms als ik me sterk voel zoek ik op het Internet en ik heb ook een oncoloog gebeld om te vragen wat hij gedaan zou hebben. Hij kan natuurlijk ook alleen maar vanuit percentages denken en heeft me verzekerd dat dit echt de beste aanpak is. Over de bijwerkingen praat niemand. Als je ze hebt besef je pas wat al die woorden in een bijsluitertekst echt betekenen.
Marion weet wat ik geschreven heb en ze confronteert me ermee. Misschien had ik een derde en een vierde opinie moeten vragen. En waarom ben ik niet op haar verzoek naar New York gereisd, waar Oren al een afspraak voor me geregeld had met een zeer beroemde uroloog?
"Mijn artsen zijn heus niet allemaal slecht en dom," zeg ik." Je moet een arts toch op een gegeven moment ook kunnen vertrouwen."
Marion houdt vol. Ze herinnert me aan een eigenaardig incident dat meer dan een half jaar geleden plaats vond. Op een zekere dag had ik tijdens de afspraak in het ziekenhuis in eens twee urologen in plaats van één. Wie was nu degene die me behandelde? Bij het vertrek vroeg ik één van de twee, de professor die met steun van de farmaceutische industrie een prachtige website gemaakt had over wat je allemaal slikken moet en bij wie ik ooit begonnen was, of ik nog door moest gaan met de tabletjes. "Ja, drie maal daags," zei hij. De nieuwe arts hoorde het en zei: "Maar dat is toch veel te veel. Eén is toch meer dan genoeg."
"Ze doen maar wat en weten het zelf niet goed Ief," zegt Marion. "En jij bent nooit achter de juiste dosis aangegaan."
"Misschien een vergissing," probeer ik.
"Nee," zegt Marion. "Je bent gewoon bang om dood te gaan en durft de verantwoordelijkheid voor een eigen beslissing niet aan. Daarom accepteer je ineens alles."
Later wandelen we in de heuvels boven Stresa. Af en toe is er een kerkhof, waar de zerken gekeerd zijn naar het prachtige uitzicht over het meer. Soms staat er een kapelletje met een schildering van Jezus die lijdt of Maria die troost biedt. Marion loopt voorop. Via de steile paden van mountainbikerijders gaan we omhoog. Ik transpireer hevig en vind het bos waar we doorheen moeten niet mooi. Hier ontbreken de kapelletjes en uitzicht is er ook niet. Marion is te ver vooruit om haar te kunnen roepen. Waarom kan ik mijn lot niet veranderen?
Een jaar geleden dacht ik dat mijn relaas 'Job en ik' zou moeten heten naar aanleiding van het verhaal van Job, die alles had en dat allemaal verloor omdat God hem wilde testen. Hij verliest runderen, ezelinnen, kamelen, drie dochters en zeven zonen, maar het is nog niet genoeg. Satan daagt God uit om het nog erger te maken en de test zwaar genoeg te laten zijn. Daarom krijgt Job "boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe. En hij nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij neerzat in de as".
Naar aanleiding van mijn titel "Job en ik' vroeg Marion toen:"Maar wie is dan Job en wie is de ik?" Ik dacht dat het voor zichzelf sprak. Zowel Job als mij leek alles te worden ontnomen en de toets was of ik zou kunnen blijven geloven dat het leven goed en erg de moeite waard is. Misschien dacht ik wel dat ik zoals Job was en alles verloor, maar is dat wel zo? Kan het niet zo zijn dat dit helemaal mijn eigen verhaal niet is, maar Marion's verhaal? Is Marion de Job, die alles gaat verliezen? Is God bezig haar te testen?
Met Job liep het overigens erg goed af, want God is een wonderlijk type, dat het lot van de mens zo maar van de ene op de andere dag weer verandert. Job krijgt als aangetoond is dat hij blijft geloven twee keer zoveel runderen, ezelinnen en kamelen als hij ooit voorheen bezat en ook weer zeven zoons en drie dochters. Met prachtige namen: Jenima, Kezia en Kerenhappuch. Wie bedenkt ze? En daarna leefde Job nog honderdveertig jaar. Zou hij nog wel eens verdrietig zijn geweest vanwege zijn eerste zeven zonen en drie dochters die sterven moesten om hem te testen?
Als we boven komen bereiken we gelukkig weer een prettig wandelpad, met uitzicht en waar ook nog een kapelletje staat. Het heeft een afbeelding van de heilige Sebastiaan. Hij is doorzeefd met pijlen, maar lacht op hemelse wijze omhoog.


Terug