| Week 2004 19 Moe van de wandeling keek ik uit het raam van het hotel. De zon stond laag. In de tuin lag een zwembad waarin de herfstbladeren nog rond dreven en aan de overkant van de straat was een Plaza de Toros, waar op zondagen stierengevechten werden gehouden. Het dorp waar we waren, El Bosque, heeft slechts 1500 inwoners, maar in het Zuiden van Spanje hebben de kleinste pueblos zo'n arena. Onderweg van het vliegveld naar Zahara de la Sierra hadden we zelfs een boerderij gezien waar een kleine arena bij was gebouwd. De taxichauffeur maakte ons er vol bewondering op attent. Ik probeerde een grapje te maken door te zeggen: "Quizas para jugar. Para los ninos". Dat viel echter niet in goede aarde. De chauffeur nam de corrida serieus: het duel waarin de man zijn mannelijkheid meet met die van de stier. Ik was vergeten dat ik er ooit erg in geïnteresseerd was geweest. Het was in de tijd dat ik zomers als reisleider in Spanje werkte om mijn studie te bekostigen. Dat werk leek me avontuurlijk en ik had me via een open sollicitatie bij een populair reisbureau voor jongeren gemeld. Alles leek me leuk, zo lang ik maar niet naar Duitsland hoefde. "We hebben nog een paar vacatures in Spanje," zei de directeur. Daar had ik helemaal niet aan gedacht. Ik was er ook nog nooit geweest en vroeg me af of dat eigenlijk wel kon. Generaal Franco was nog aan het bewind en wie maar een beetje politiek benul had besefte dat naar Spanje gaan voor een vakantie eigenlijk niet verantwoord was. Op dat moment realiseerde ik me dat veel Nederlanders in de zomer naar Spanje wilden. Daar hadden ze dus reisleiders nodig. Daarom zei ik: "Prima dan". "Spreek je Spaans?" vroeg de directeur. Daar had ik zelfs nog nooit bij stilgestaan. Inderdaad is kennis van de taal van het land voor een reisleider van wezenlijk belang. Helaas sprak ik geen woord Spaans, maar ik schaamde me zo tegenover die man dat ik was komen solliciteren zonder te beseffen dat je dan de taal van het land moest spreken dat ik zo maar, zonder goed na te denken zei: "Natuurlijk." Waarschijnlijk zei ik het zo vanzelfsprekend dat de man niet verder doorvroeg en me aannam. Al eerder was ik tegen die rare macho eigenschap van me opgelopen, die stoerheid, waarbij ik niet goed kan toegeven dat ik iets niet kan. Op de lagere school vroeg de leraar in de vierde klas wie boeken voor hem wilde kaften. Automatisch stak ik mijn vinger in de lucht, ervan uitgaand dat ik toch niet zou worden gekozen. Maar ik had het mis en plotseling besefte ik dat ik in mijn hele leven nog nooit een boek had gekaft. Nu is dat kaften iets heel simpels en dus in principe fundamenteel anders dan het spreken van de Spaanse taal. Ik had het dikke bruine papier voor me en voelde de ogen van de meester op me gericht. "Heb je geen schaar nodig?" vroeg hij toen ik juist op dat moment ontdekte dat je in het midden bij de rug van het boek een probleem krijgt als je niet in knipt en ik wist niet beters dan zo stoer mogelijk te zeggen: "O, dat scheur ik altijd in". Dat ben ik: me nooit laten kennen. Dat Spaans leerde ik overigens razendsnel omdat ik telkens als ik 's nachts met bussen vol toeristen van het vliegveld bij de hotels kwam die overboekt waren, moest praten als Brugman opdat de hoteleigenaar wat extra mensen zou nemen. Ik verbasterde Franse woorden en overdag las ik Spaanstalige stripverhalen met behulp van een woordenboek om mijn woordenschat uit te breiden. Bovendien ontmoette ik een eenzame kinderarts in opleiding. Hij had 's avonds vaak dienst had en hing dan in de bar, waar ik ook mijn cuba libres dronk. Met hem sprak ik elke avond tot sluitingstijd, waarna hij naar zijn slaapkamer in het ziekenhuis en ik naar mijn hotel waggelde. "Hasta luego". Het meeste verdiende ik met het verkopen van toegangskaarten voor de flamencoshow op zaterdagavond en voor de Plaza de Toros zondag laat in de middag aan toeristen die per chartervlucht arriveerden. Ik las 'Death in the afternoon' van Hemingway om iets van het stierengevecht te begrijpen en daardoor in staat te zijn een wervend verhaal te houden voor mijn slaapdronken toeristen in de bus van het vliegveld naar het hotel. Zelf mocht ik gratis naar de Plaza de Toros. Als ik met Marion langs de witte dorpen in Andalusië wandel moet ik steeds aan die stierengevechten en aan de jaren dat ik in Spanje werkte denken. Marion's roman is af en ze vervoert het typoscript in een mooie blauwe doos. Zodra we aan het einde van de middag uitgelopen zijn en een douche hebben genomen, begint ze te lezen en na een paar dagen begint ze opnieuw. Maar dan is het ook mijn beurt en voor het eerst lees ik waar ze meer dan anderhalf jaar mee bezig is geweest. Het boek gaat over een vrouw die in haar pogingen oprecht en heftig te leven steeds meer verliest. Het is een boek over liefde, verleiding en ontrouw en over alles wat je kwijt kunt raken in het leven. Over een ouder wordende vrouw die gewend is overal nagekeken te worden en over een man die kanker krijgt. Doordat hij hormonen slikt om zijn ziekte te bestrijden verliest de man zijn testosteron en de interesse in seksualiteit en hij ziet zijn vrouw niet meer. Marion heeft een meeslepende manier van schrijven en ik raak steeds meer bij die vrouw betrokken. Bij de laatste pagina's lijd ik intens met haar mee en als ik in Montejaque uiteindelijk de laatste vijftig bladzijden lees ben ik vreselijk ontroerd. De volgende dag lopen we naar Ronda, het einddoel van onze wandeling. Ronda is de stad waar de regels voor het moderne stierengevecht zijn ontwikkeld. Er staan zelfs standbeelden voor bekende matadoren. Het begon ooit als een spel van een stel jongens die wilden tonen hoeveel lef en testosteron ze hadden door de stieren uit te dagen en dan snel weg te rennen. Het groeide uit tot een gestileerde strijd tussen beest en mens om wie de grootste ballen heeft. De stier die zijn teelballen die tot bijna op de grond hangen niet kan verbergen staat tegenover de stierenvechter die gekleed is in een korte jasje en een hoge nauwsluitende broek, waardoor hij eruit ziet als een balletdanser die zijn anatomische kenmerken niet kan verhullen. Die keert hij telkens uitdagend naar de stier en steekt ze naar voren. Kijk eens wat ik hier heb. Kom maar op. Eerst speelt de toreador met de stier om hem te leren kennen. Zo moet hij weten wat de favoriete hoorn van het dier is. Daarna zet hij de zes banderillos - weerhaken - in de halsspieren van de stier zodat die geen onverwachte zijwaartse bewegingen meer maakt en vervolgens wordt door iemand op een paard de nekspier van de stier doorgeprikt, waardoor ook de plotselinge opwaartse beweging onmogelijk wordt. Dan cirkelen de man en het beest om elkaar heen tot ze in het midden van de arena zijn aangekomen. De toreador laat de stier veronica's en semiveronica's draaien, het publiek juicht en uiteindelijk moet de matador met zijn zwaard over de hoorns heen om het dier in zijn hart te raken en af te maken. 's Mans ballen hangen dan gevaarlijk dicht boven de vermoeide kop van de stier. Als het publiek tevreden is over het gevecht krijgt de toreador een oor van de stier of zelfs twee oren. In de winkels in Ronda zie ik zwart-wit affiches van de beroemde toreador Romero die glimlachend rond loopt met in elke hand een oor. Heel vroeger kreeg de bedwinger van de hormonale natuurkrachten ook wel eens de cojones, de kloten van het beest. En in de kleedkamer wachtten de vrouwen op de held. Stierenvechters stierven in de strijd of aan de syfilis. Het is voor ons slechts een kinderachtig gedoe voor opgeschoten jongens, maar voor de Spanjaarden is het belangrijk. Zo toon je je een man. Het gaat om lef, om het aannemen van de uitdaging. Dat doe je met stijl en arrogantie. In de routebeschrijving van onze wandeling staan een aantal nuttige waarschuwingen. We lezen dat we ons over de dieren die we tegen komen geen zorgen hoeven maken. Alleen voor honden en stieren moeten we uitkijken. Voor wat betreft die honden wordt ons geadviseerd onmiddellijk een steen op te rapen. Dat is meestal al voldoende om het dier weg te laten rennen. Voor ontmoetingen met stieren wordt geen advies gegeven. Terug |